21. Kandidaat

‘Wat ga je doen?’ vroeg mijn koor-maatje, nadat we hadden gerepeteerd. Ik haalde mijn schouders op. ‘Gewoon. Naar huis. En jij?’ ‘Oke,’ zei hij: ‘Ik loop wel even mee naar je auto.’ Ik lachte schaapachtig. ‘Is toch helemaal niet nodig! Ik red me wel.’ Maar hij liet zich niet aftroeven. 

Wat was dat toch met de mannen? Ze leken ineens allemaal zo bezorgd. Alsof ik opeens bescherming nodig had. Een klein meisje was.. Lief bedoeld, maar het maakte me ook wel kriegelig. Ik kon best op eigen benen staan! Op mezelf passen.

Ongevraagd liep hij met me mee. We konden het verder goed met elkaar vinden. Hij was dan wel zo’n tien jaar ouder dan ik. Maar dat maakte het ook makkelijker. Ontspannender. Omdat hij gewoon geen ‘kandidaat’ voor me was.

We hadden tijdens de repetities veel lol. Dolden met elkaar. Namen elkaar in de maling. Maar hadden ook leuke gesprekken. Vorige keer pochte hij nog over zijn vrouw. Dat hij al zoveel jaren met haar was getrouwd en daar trots op was. Dat vond ik mooi. Mannen die opscheppen over hun huwelijk.

Wat ongemakkelijk liet ik me begeleiden. Bij de auto graaide ik in mijn handtas, op zoek naar de sleutels. ‘We zijn er. Je kunt met een gerust hart gaan!’ zei ik gekscherend. Maar hij bleef staan. ‘Hoe gaat het met je?’ hoorde ik hem op lage toon vragen. Trots hield ik de autosleutels omhoog: ‘Gevonden!’ riep ik, zijn vraag negerend. Hij lachte. Legde toen zijn handen om mijn wangen. Ik voelde hoe hij zijn mond tegen de mijne drukte. Ik perste mijn lippen op elkaar. Mijn ogen wijd open. Duwde tegen zijn schouders, tot hij weer rechtop tegenover mij stond. Een paar seconden bleef ik daar zo staan. Verbluft. Overdonderd. Wat gebeurde hier?

‘Wat doe je nou?’ siste ik. Er was een blik in zijn ogen die ik veel liever niet had gezien. ‘Je bent zo bijzonder,’ hijgde hij: ‘ik kan gewoon niet van je afblijven.’ Ik zag hoe hij zich weer naar me toe wilde buigen. Met één hand hield ik hem tegen en deed een stap achteruit. ‘Je hebt een vrouw!’ wees ik hem terecht. Maar het leek hem niet te boeien. Hij stond daar maar te staren, alsof hij naar een wereldwonder keek.

Wegwezen, riep het in mij. Ik duwde de sleutels in het portier. Snel opende ik de deur en sprong achter het stuur. Toen ik opzij keek, stond hij daar nog. Zijn ogen op mij gericht. Zijn mond half open. Ik zag hoe hij zijn arm langzaam omhoog bewoog en naar me wuifde. Vluchtig stak ik mijn hand naar hem op en gaf plankgas.

Thuis gekomen vroeg ik de oppas hoe het was gegaan. ‘Prima’ zei ze en deed verslag van haar avond. We dronken een glaasje sap en ik zwaaide haar snel uit. Daarna plofte ik op de bank en slaakte een diepe zucht. Ik had een nieuwe missie: getrouwde mannen naar hun vrouwen terug sturen..

Advertenties

20. Single

En toen was ik ineens weer vrijgezel. Single. Alleenstaand, alleengaand. Of ehm.. gescheiden.. Bah, wat een rotwoord! Liefst gebruikte ik dat woord niet. Dat deed me alleen maar herinneren aan het feit eenmaal toch getrouwd te zijn geweest. En die tijd wilde ik het liefst zo snel mogelijk vergeten.. 

De meisjes en ik wisten onze draai snel te vinden. Het was een verademing om van de spanning af te zijn. De spanning die er altijd was als hun vader thuiskwam. Afwachten hoe zijn pet zou staan. En vooral rustig blijven. Niet te uitbundig. Want dat leek altijd een reden voor weer een uitbarsting. 

Nu konden we muziek draaien. Daarop dansen. Zoveel als we wilden! Ik sprong en swingde met hun mee. Huppelde en deed net zo gek als zij. Headbangend. De haren door de war. Wat hadden we een lol! Het leek wel of we alle verloren jaren in wilden halen.

Ook pakten we oude hobby’s weer op. Tekenen, schilderen. En kaarsvet-figuurtjes maken. Dan zaten de we rondom brandende kaars-stompjes met diverse kleuren. Het gesmolten kaarsvet schraapten we er voorzichtig af en kneden dat tot mooie figuurtjes. Iets wat eerder ‘heel onverantwoord’ en ‘levensgevaarlijk’ was. Maar nu, oh, zo leuk om te doen!

Ik voelde me een opstandige puber. Een tiener, die zich los had weten te rukken van de dominante opvoeder. Heerlijk recalcitrant. Ik buitte het lekker uit. Geen gezagvoerder die me nog tegen kon houden. Want alleen ìk had hier nog het gezag..

Maar als de meisjes op bed lagen, was het stil. Voelde ik de pijn en het verdriet van een mislukt huwelijk. Was ik soms eenzaam. Niemand om de dag mee te delen. Om de mooie tekeningen, schilderijen of figuurtjes aan te laten zien. Diep van binnen had ik best behoefte aan iemand die naast me stond. Een maatje. Een vriend.

Stiekem gingen mijn gedachten dan uit naar mijn grote liefde van destijds. Hoe zou het zijn als hij.. bij mij.. bij ons..? Dan fantaseerde ik dat hij bij me zat. Naast me, op de bank. Een goed glas wijn op de salontafel voor ons. Zijn arm losjes om mijn schouder. Zijn ogen op mij gericht. 

‘Ha meisje, hoe gaat het nu?’ hoorde ik hem in gedachten zeggen. En ik zou glimlachen. Mezelf tegen hem aan vlijen. Naar hem opkijken. Hem kussen en fluisteren: ‘Heel goed! Ik heb me in geen jaren zo goed gevoeld..’

19. Proces

‘Hoi! Hoe gaat t?’ vroeg hij door de telefoon. Meteen was ik op mijn hoede. Hij kon het niet menen. Nog nooit had hij willen weten hoe het met me ging. ‘Goed, hoor!’ deed ik luchtig. ‘Fijn om te horen,’ hoorde ik hem zeggen. Ik bleef stil, afwachtend waarvoor hij belde. 

‘Ik heb een brief gehad,’ ging hij uiteindelijk verder. Ik zette me schrap. ‘Van je advocaat,’ legde hij uit. ‘Heel jammer, moet ik zeggen!’ Ik hoorde hoe hij teleurstelling speelde.‘Tja, ik voelde me min of meer gedwongen door je,’ ontglipte me. ‘Door mij?’ gilde hij. Hij viel uit zijn rol.’Door mij? Hoe kun je zoiets zeggen! Je kunt zó weer bij me terug komen! Dat weet je best!’ 

Ik moest er niet aan denken. Rilde al bij de gedachte. Terug naar alle ellende van toen. ‘Wat ben je van plan?’ wilde hij weten. ‘Nou gewoon..’ zei ik voorzichtig: ‘We moeten toch iets zien te regelen. Wanneer de kinderen naar jou toe kunnen enzo.’ De financiën hield ik achterwege. Dat zou hem sowieso doen oplaaien. 

‘Als je maar niet denkt dat je hun te pas en te onpas bij mij kunt afleveren, he?! Jij hebt er zelf voor gekozen om alleen verder te gaan, dus dan doe je het ook maar in je eentje!’ ‘Is goed, hoor,’ deed ik rustig. Het had geen zin om in discussie te gaan. 

En zo gingen we de echtscheiding in. Een vermoeiende weg, waarbij het maar niet lukte hem te overtuigen van het nut van duidelijke afspraken voor de kids.

Ook financieel probeerde hij me te raken. Hij liet zijn werkgever een verklaring schrijven waarin stond vermeld dat er sombere toekomstverwachtingen waren. Zijn inkomen werd daardoor onzeker. Toen ik hem wees op hoe onterecht dit was, riep hij: ‘Ik laat me niet door je uitkleden!’ Alsof het mijn bedoeling was hem zijn geld af te troggelen. Ik wilde alleen maar dàt waar de kinderen recht op hadden. Meer niet.

Uiteindelijk bleek dat ik mezelf behoorlijk in de vingers gesneden door de eerste maanden zo hard te werken om zelf rond te kunnen komen. Zijn advocaat complimenteerde me. Vond het knap dat ik me zo had weten te redden. Vervolgens werd er besloten dat hij niet zo’n hoge bijdrage hoefde te leveren, want ik had zelf al een aardig inkomen gecreëerd. En alimentatie-met-terugwerkende-kracht was dus al helemaal niet nodig..

Het hele proces bleek slopend te zijn. Ik huiverde als er een brief van zijn advocaat in de bus lag. Zat me vervolgens op te vreten, als ik las hoe doortrapt hij het speelde. Maar het mocht me niet uitputten. Ik moest door. Er zijn voor de kinderen. Geen tijd voor frustratie en stress. Dit moest zo spoedig mogelijk ten einde komen, zodat ik mijn leven weer kon leven.

‘Vader verzoekt dat de verblijfplaats van de kinderen bij de moeder zal zijn’ las ik tenslotte. Dat sloeg echt alles. Voor mij leek het wel vanzelfsprekend dat zij bij mij zouden blijven. Maar ik gunde het de meisjes dat er minstens wat getouwtrek zou zijn over hen. Dat we allebei zouden aangeven de volledige zorg op ons te willen nemen. Dat we ze altijd bij ons wilden hebben. Allebei. Maar vader wilde dat dus niet. Zelfs een bezoekregeling was moeilijk te realiseren.

Uiteindelijk hebben mijn advocaat en ik het hele proces zo snel mogelijk afgehandeld. We stuurden een concept ‘ouderschapsplan’ mee naar de rechter, zodat de boel compleet zou zijn. Ik had geen puf om nog een poging te doen voor betere afspraken of een grotere financiële bijdrage.

Hij moest maar lekker gelukkig worden met zijn gèld! Ik had de kinderen. En de kinderen hadden mij. Dat was toch onbetaalbaar?!



18. Volgende stap

‘Trouwens, de autoverzekering ga ik ook stop zetten,’ dreigde hij door de telefoon: ‘Denk maar niet dat ik ook maar íets voor je ga betalen!’‘Maar..,’ jammerde ik. Ik hoorde een spottend lachje: ‘Hah! Jíj bent weggegaan! Ik niet!’ brulde hij: ‘Dan zoek je het ook maar lekker zelf uit!’ Direct werd de lijn verbroken.  

De vader van de meisjes was algauw achter mijn verblijfplaats gekomen. Dat was wel even spannend. Maar ik wist dat het er toch een keer van zou komen. Ik kon me niet schuilhouden. Het gewone leven moest doorgaan. Ik moest werken. De kost verdienen. En ik gunde de kinderen ook een normaal leven. Zo veel mogelijk vertrouwd, met hun eigen vriendinnetjes.

De vader van de meisjes was vooral verbitterd, merkte ik. Hij deed geen enkele poging om me terug te krijgen. Informeerde ook niet hoe het met ons ging. Hij had geen idee hoe moeilijk het was om met niets weer een leven op te bouwen. Hoe het was om er steeds weer achter te komen dat er toch nòg iets was wat we nodig hadden. 

Het waren de gekste dingen. Zo wilde ik eten koken en bedacht ik me ineens dat daar ook pannen bij nodig waren. Wilde ik gaan douchen en had ik geen fatsoenlijke handdoek. Tafeldekken, en miste ik de onderzetters.

Gelukkig had ik lieve vrienden en collega’s die me vanalles van hun ‘teveel’ gaven. Ik kreeg een servies toegeschoven. Een oud koffiezetapparaat. Bestek. Linnengoed. En regelmatig vond ik zomaar iets in mijn brievenbus. Omdat ze wisten dat ik het wel gebruiken kon. Het niet breed had. 

Zíj snapten het! Maar de vader van de meisjes scheen alleen maar wraak te willen nemen. Me nog meer te willen laten lijden. Hoe dan ook. Daar maakte hij geen geheim van. 

Tot nu toe had ik mijn werk aardig met de kinderen weten te combineren. Mijn werkgever was gelukkig bereidwillig. Ik mocht ’s ochtends iets later beginnen, zodat het beter af te stemmen was met de oppas. Maar toen er ook weer weekenden gewerkt moest worden, zat ik toch wel met mijn handen in het haar. Dan had ik geen oppas. Ik kon ze toch niet hele dagen alleen laten?

Hun vader weigerde om de kinderen te hebben. En bij de meisjes was ook weinig animo om naar hem toe te gaan. Moest ik hen dwingen? Het AMK riep steeds dat kinderen ‘recht op hun vader hebben’. Maar moest ìk hen dan stimuleren? Motiveren? ‘Hoe langer ze ermee wachten om naar hem toe te gaan, hoe enger het zal worden,’ werd mij verteld. En daarmee wist ik genoeg.

‘Jij bent hun vader,’ probeerde ik het nog eens: ‘Ze hebben recht op je!’ Nog even stribbelde hij tegen. Maar toen ik het woord AMK liet vallen, ging hij toch overstag. ‘Oke,’ verzuchtte hij verslagen: ‘Je kunt ze deze vrijdagavond om acht uur brengen en zondagavond, zelfde tijd, weer ophalen.’ Daar viel niet aan te tornen, begreep ik. Dit weekend was dan geregeld. De volgende keer zou ik wel weer afwachten hoe hij het wilde.

Toch voelde ik me gedwongen om een volgende stap te nemen nu. Er moest toch iets definitiefs te regelen zijn? Een duidelijke bezoekregeling. Ik had geen zin om daar elke keer weer over te bakkeleien. En zou hij ook niet iets van een financiële bijdrage moeten doen? Zodat ik wat minder kon gaan werken.

Ik had een advocaat nodig. Een advocaat! Nog nooit had ik zo iemand bij de hand gehad. Er nog nooit één ontmoet zelfs. Waar vond ik iemand die geschikt was?

‘Je moet een ‘pro-deo’ hebben!’ De vrouw van het gemeentehuis wist het me allemaal te vertellen. ‘Enneh,’ ging ze verder: ‘We mogen natuurlijk geen reclame maken. Geen namen noemen. Maar als je bij het winkelcentrum kijkt..’ ze knipoogde stiekem naar me: ‘.. daar vind je vast een goeie! Weet ik zeker!’ Ze glimlachte samenzweerderig. Ik lachte dankbaar terug.

Meteen begaf ik me richting het aangewezen winkelcentrum. Aan de rand daarvan zag ik een pand dat me nog nooit was opgevallen. ‘Advocaten-kantoor,’ prijkte er in verlichte letters achter de naam. Ik liep naar de deur. Wat onzeker voelde ik of hij te openen was. 

Voor ik het wist stond ik aan de balie. ‘Goedemiddag mevrouw,’ zei de vrouw in zwart mantelpak: ‘Wat kan ik voor u doen?’ ‘Ik heb een advocaat nodig.. denk ik..’ slikte ik. De volgende stap was gemaakt.

17. (On)rust

De eerste nacht in de flat. Ik lig op bed, na de spannende dag. De huiskamer staat vol met vuilniszakken. Gevuld met kleding. Een onoverzichtelijk geheel. In welke grijze zak zit wat? Nou ja, dat is zorg voor morgen..

Ik vraag me af of hij de afscheidsbrief al gelezen heeft. Zou hij boos zijn? Ons nu aan het zoeken zijn? Of zou hij alleen zijn beklag hebben gedaan bij iedereen die het horen wil? Zoals hij normaal altijd doet. Klagen, en het daar ook bij laten. 

De geluiden die ik hoor zijn allemaal nieuw. Ik hoor een auto die start. ‘Oh help, dat is toch niet de mijne? Zou hij met de reservesleutel..?’ Ik glip uit mijn bed en kijk uit het raam. De auto had ik zo geparkeerd dat ik hem vanuit de flat in de gaten kon houden. Ik tuur in het schemer. Zie twee rode koplampen wegrijden. Waar stond hij ook alweer? Ik knijp mijn ogen samen. Maar dan zie ik hem. Onaangeroerd. Gelukkig!

Ik kruip opgelucht weer terug in bed. Ergens klinkt gesis. Gefluister? Ik hef mijn hoofd van het kussen. Wat als hij daar staat? Bij de voordeur. Fluisterend met zijn vriend over hoe ze naar binnen zullen breken. De kinderen mee zullen nemen. Of mij de les komen lezen. Wat, als straks de voordeurbel zou gaan? Als hij daar zou staan. Zou grijnzen: ‘Gevonden!!’ met meteen een voet tussen de deur.

Ik trek het dekbed tot over mijn oren. Wil niets meer horen nu. Ik wil niet meer denken. Niet meer bang zijn.

Ik draai op mijn rug en doe de ontspanningsoefeningen die ik ooit op zwangerschapsgym heb geleerd. Handen op de buik. Inademen via de neus…

Zouden de meisjes nu eigenlijk wel lekker slapen? Voor hen was het ook een spannende dag. Wat waren ze opgewonden en uitgelaten! Nietsvermoedend van de ernst van de zaak. Ze deden enthousiast mee met het uitladen van de auto. Waren blij verrast bij het zien van de meubels. Voor hen leek het een groot vakantieoord. Een vakantie zonder einde.

Waar zou het nu heen gaan? Hoe lang zouden we hier blijven? Zou hij me ooit nog smeken terug te komen? Beloven dat het anders wordt. Of zou ik uiteindelijk toch een advocaat moeten zoeken? Zal deze stap de eerste zijn naar een definitieve scheiding?

Een deur die slaat. Was dat hier? Ik zit rechtop in mijn bed. Dan is er gegiechel op de galerij. Zachtjes sluip ik door het huis. Door het keukenraam zie ik nog net twee mensen het trappenhuis in verdwijnen. 

Nog even inspecteer ik de slapende hoofdjes van de meisjes. Ik glimlach tevreden als ik ze daar zo ontspannen zie liggen. Wat waren ze vaak getuige van de eindeloze ruzies tussen hun vader en mij! Hoevaak vluchtten ze niet naar boven. Naar hun kamertje. Om daar te wachten tot het weer voorbij zou gaan. Dan zaten ze op hun bed. De armen om elkaar heen geslagen. Soms met gevouwen handjes. Biddend, om te vragen of het snel weer over mocht gaan. 

Nu zie ik twee zorgeloze gezichtjes. Vertrouwend dat mama het goed zal maken. En al weet ik niet wat de toekomst ons brengen zou, zij hebben nu rust. Dat is toch alles waard?!

16. Moeilijk

‘Kom op, wat doe je nou moeilijk?!’ zeurde hij: ‘Ik ben toch je màn!’ Hij pakte mij bij mijn schouders. Maar ik schudde zijn handen van me af. Draaide me op mijn zij, mijn rug naar hem toe. Mijn benen opgetrokken. Mijn armen beschermend om mijn borst. ‘Niet weer..’ kermde het vanbinnen. Ik wist dat ik sterk moest zijn. Heel sterk. Maar waarschijnlijk zou ik het verliezen. Hij had zo zijn rechten, want ik was zijn vrouw.

Hij vond dat het normaal was. Ik daagde hem toch zelf uit? Door me om te kleden in zijn bijzijn. Het ondergoed te dragen dat ik mooi vond. Het waren allemaal uitnodigingen.. vond hij.

Ik verving mijn lingerie voor minder mooi spul. Kleedde me voortaan om in de badkamer. Deur op slot. Maar ook die wist hij op den duur open te draaien. Ik slaakte een gil. Hij sloeg even achterover en lachte me toen uit: ‘Wat doe je nou gek?’

Er was geen genegenheid meer. Ik bleef alleen bij hem voor de kinderen. Zij hadden óók hun rechten, vond ik. Het recht op een vader en moeder in één en hetzelfde huis. Dat moest toch lukken?

De strubbelingen werden heftiger. Steeds vaker drong hij zich aan me op. Soms liet ik het gebeuren, om de druk van de ketel te halen. Gedachteloos. Lusteloos. Maar het leek nooit voldoende. Nooit genoeg.

Ik werd steeds benauwder. Bang dat het weer moest gebeuren, terwijl ik niet wilde. Hoe kon ik mezelf steeds weer geven aan de man die me kleineerde, tiranniseerde en me verder overdag niet zag staan? 

Ik bleef op, als hij naar bed ging. In de hoop hem slapend aan te treffen, als ik naar boven ging. Kroop dan heel voorzichtig onder het dekbed en lag de hele nacht op de bedrand.

Ook hij ging steeds later slapen. Lag steeds langer te wachten tot ik eindelijk boven kwam. 

Ik kreeg wallen onder mijn ogen. Kwam er ’s ochtends steeds lastiger uit. Het was een uitputtingsslag. Dus besloot ik op een dag te verhuizen. Intern. Naar de zolder. Dat moest mijn kamer dan maar zijn.

De eerste nachten draaide ik de deur nog op slot. Maar het scheen toch te werken. Hij kwam niet de zoldertrap op.

Tot op die nacht dat ik hem wel naar boven hoorde komen. Krakende traptreden. Steeds dichterbij. De deurklink die langzaam naar beneden bewoog. Zijn gestalte voor me. In mijn ooghoek zag ik dat hij alleen een boxer droeg.

‘Hoi’, zei hij kalmpjes: ‘Mag ik even bij je liggen?’ Ik kromp ineen toen hij direct naast me kwam liggen. ‘Ik wil niet..’ piepte ik. Steeds kleiner voelde ik me worden. Moest dit dan zo?

Tijd om te vertrekken! Ik kon het niet langer. Ik stelde een ultimatum. Als het dan niet anders was, zou ik gaan. 

Ik spaarde geld en ging op zoek naar een woning. Tijdens een fietstochtje met de meiden deed ik een bezichtiging. Tegenover de meisjes, die toen nog klein waren, deed ik alsof het heel normaal was dat volwassenen dat soms deden. Alsof het heel gewoon was om af en toe eens in een flat te gaan kijken. Want het mocht niet teveel indruk maken. Het moest geheim blijven.

De tijd verstreek. Ik kocht meubels bij de Kringloopwinkel. Liet ze bezorgen op ons toekomstige adres. 

Op die eerste maandag van de vakantie hoefden we alleen onze kleding te pakken. Ik voelde me haast bezwaard dat ik er ook wat handdoeken, theedoeken en beddengoed bij deed. Mijn dag-en fotoboeken had ik al in een doos gedaan. Die hoefde ik alleen maar tevoorschijn te halen.

Die ochtend legde ik heel vroeg de afscheidsbrief op tafel. Die zou hij vinden als hij terugkwam uit zijn werk. Daarna heb ik de boel in de auto geladen en zijn we vertrokken. Op naar een nieuw begin.

Een nieuwe start.




Brief aan jou

Lieve lezer,

Zo’n anderhalve maand geleden maakten we kennis door middel van mijn eerste blog. Het was fijn om alles wat me bezig houdt eens van me af te schrijven. Te delen met mensen die ik niet ken.

Gebeurtenissen waar mensen liever niet over vertellen of over willen horen. Waar iedereen zijn gedachten wel over heeft, maar niet over praat.

Het is fijn om nu eens alles uit te spreken. Recht door zee. Zonder omhaal.

Natuurlijk is er veel meer te vertellen. Nare herinneringen waarvan ik me afvraag of anderen het herkennen. Of belevenissen waar niemand van af weet. Waar ik best graag over wil schrijven, omdat ik er gewoonweg niet over praten kan.

Maar soms bekruipt mij het gevoel van ‘wat kan het anderen schelen’. Ben ik bang dat het niet interessant genoeg is. Denk ik dat ik beter in boekvorm verder kan gaan, zodat het ooit toch het daglicht zal zien.

Lieve lezer, graag hoor ik je mening. Wil ik weten of ik toch nog door zal moeten gaan. Graag hoor ik of anderen er wat aan hebben. Of willen weten hoe het verder is gegaan. Om er zelf lessen uit te halen. Of gewoon om te weten hoe het is als..

Ik hoor het graag!

Lots of love, Safea

15. Schuldig

Schuldig voel ik me. Vreselijk schuldig! Waarom heb ik mijn kinderen geen beter leven kunnen bieden? Een gewoon gezinsleven. Vader, moeder, kindjes. Huisje, boompje, beestje.

Ik voel me rot, omdat de oudste meisjes geen vader hebben. Ja, ergens bestaat hij wel, maar hij maakt geen deel uit van hun leven. Hij toont geen interesse. Laat niets van zich horen. Alleen met hun verjaardag een kaartje, met steeds weer dezelfde tekst.

Hij is er niet om hen te troosten. Te luisteren naar de dingen die hen bezig houdt. Hij heeft geen idee! Weet niet wat hun interesses zijn, hun vragen en hun verdriet. Hij schittert in afwezigheid en weet zelfs niet dat zij hem soms zo missen.

Ik voel me rot dat ik geen betere ‘vervanger’ voor hem heb kunnen vinden. Toen ik de vader van de jongste twee trouwde, dacht ik dat het zo goed voor hen was. Eindelijk weer een vader in hun leven. Een man in hun bestaan. Wat hadden ze dat nodig!

Maar dat veilige nest bleek helemaal niet zo te zijn. In plaats van een mooie doorstart en een beter leven, heb ik ze er onbewust een trauma bij gegeven. Waarom heb ik het niet gezien? Niets opgemerkt. Niets gevraagd, toen mijn intuïtie zei dat er iets mis was.

Wat moeten ze nu van mannen denken? Bestaat hij eigenlijk nog wel? De gewone, liefdevolle, trouwe man, die dol is op zijn kinderen. Die trots is op de vrouw die hen heeft gebaard. De man die niet alleen in de weekenden het vlees aansnijdt, maar iedere dag. Vol liefde voor zijn gezin de zorg draagt.

Ongewild droom ik weg. Mijn gedachten gaan naar die ene man. Toen nog een jongen. Waar ik zoveel verwachtingen mee had. Waar ik samen kinderen mee wilde krijgen. Samen oud mee wilde worden. Samen gelukkig.

Hoe zou het zijn geweest? Hoe zou het zijn geweest, als hij de rol van de vader op zich zou hebben genomen? Zou hij hen hebben geholpen bij hun huiswerk, naar hen hebben geluisterd als ze het moeilijk hadden? Met hen hebben gelachen en gedold?

In mijn dromen ziet het er zo mooi uit. Ik zie iedereen met een tevreden lach op het gezicht. Mezelf leunend tegen zijn schouder. Samen genietend van de kinderen om ons heen.

Waarom heb ik het laten gebeuren? Hem aan de kant laten schuiven, om vervolgens mijn ongeluk tegemoet te gaan? Waarom? Het had zo mooi kunnen zijn.

Maar we moeten nu weer verder. Dromen zullen niet helpen. We moeten verder en werken aan betere tijden. Mèt of zonder man.

14. Littekens

Mijn zwangerschapsverlof zit er weer op. Alles is weer bij het oude. Ja, we zijn wel een gezinslid rijker. Maar inmiddels hoort ze er al helemaal bij.

Mijn lijf heeft zijn normale vormen weer wat aangenomen. Dat voelt heel wat prettiger dan steeds die volle buik, die bij het minste of geringste in de weg zit. Ik kan weer normaal lopen, bukken en tillen. Heerlijk!

Ook heeft de vader van de kleintjes weer werk in de buurt. Elke avond is hij thuis. Ik zit niet meer alleen aan tafel met de meiden. Hoef de meisjes niet alleen te voeden, te verzorgen en naar bed te brengen.

Het is prima te doen zo. Geen stress. Soms zelfs wat tijd voor mezelf. Wat had ik dat gemist!

Maar de oudste wordt steeds stiller. Ik zie haar aan tafel lusteloos in haar eten prikken. Ze staart soms voor haar uit of trekt zich terug in haar kamertje.

Ze klaagt over haar opleiding. Twijfelt aan dingen die eerst zo vanzelfsprekend voor haar waren. Soms heeft ze, zomaar ineens, een woede-uitbarsting. Ik snap er niets van! Het gaat nu toch goed?

‘Het gaat helemaal niet goed!’ legt ze uit als ik naar haar schoolresultaten vraag: ‘Ik haal allemaal lage cijfers.’  ‘Dan moet je beter leren!’ wijs ik haar terecht.

‘Ik doe ook mijn best!’ piept ze dan: ‘maar ik kan me helemaal niet concentreren!’ Ik kijk haar aan en zie dan ineens tranen in grote getale uit haar ogen rollen.

‘Och meisje toch!’ Ik neem haar in mijn armen en druk haar stevig tegen me aan. Ik wieg haar heen en weer, alsof ze nog altijd mijn kleine meisje is. Ze snikt het uit. ‘Het lukt niet meer, mam!’ brult ze: ‘Ik probeer het wel, maar het lukt gewoon niet meer!’

Ik pak haar bij de schouders. Kijk naar haar rood-betraande ogen. En dan zie ik het. Haar wangen zijn ingevallen. Ze wordt magerder. Ze lijdt. Ze lijdt nog steeds. Natúúrlijk lijdt ze!!

Het is of ik word wakker geschud uit een mooie droom. Alsof de wekker gaat, na een diepe slaap. Terwijl ik druk was met voeden, badderen en knuffelen van de baby, heeft zij een strijd gevoerd. Een strijd tegen alle gevoelens die nog zoveel met haar deden. Ze heeft geworsteld. Helemaal alleen. En ik zag het niet!

Ook ik voelde af en toe wantrouwen en afkeer. Zag ook die donkere wolk boven ons bestaan. Wist ook dat het allemaal helemaal niet zo mooi was, als het soms leek. Maar ik had het weggedrukt. Mijn kop diep in het zand gestoken.

Hoe kon ik er zo makkelijk overheen zijn gestapt! Het leven weer hebben opgepakt en me af laten troeven door een therapeute die het niet zag zitten om met ons aan de gang te gaan.

Het was nog helemaal niet verwerkt! Dat wat er met haar was gebeurd. We waren er zomaar overheen gestapt. Met wat beloftes dat het nooit meer zou gebeuren hadden we gehoopt weer verder te kunnen gaan.

Maar ook al helen de wonden, de littekens blijven. Littekens van angst, walging en wrok.

‘Ik ga hulp voor je zoeken. Hulp voor ons allemaal!’ Ik geef haar een dikke knuffel en een kus op haar voorhoofd. Ze knikt en huilt. ‘Ja, mama. Dat wil ik! Ik wil er niet meer aan denken. Ik wil het vergeten.’

‘Ik ga op zoek, net zolang tot we de juiste hulp gevonden hebben,’ beloof ik plechtig.

En dan zie ik weer even die lichtjes in haar ogen. Lichtjes van hoop. De hoop op herstel.

13. Afscheid

‘Joh, wie wil jou nog hebben?’ schamperde hij, terwijl hij wijdbeens voor me kwam staan. Dreigend wees hij met zijn vinger: ‘Als jij ooit bij me weg zult gaan, zal je helemaal alleen komen te staan.’ Ik haalde mijn schouders op, alsof zijn woorden me niets deden. Maar van binnen stormde het. Waar was de liefde gebleven? 

Hij dacht dat ik volledig afhankelijk van hem was, de vader van mijn oudste twee. Financieel en emotioneel. Dat hij de enige was die met me kon leven. Op zijn manier ook van me hield. Maar ik wist wel beter.

Al geruime tijd had ik regelmatig contact met mijn grote Liefde van vroeger. Tot nu toe had ik dat angstvallig voor me gehouden. Want wat zou er gebeuren als hij dat zou komen te weten? Alleen de gedachte al maakte me bang en klein.

Hij had geen idee dat er ergens op de wereld toch iemand bestond die wèl om me gaf. Die wel naar me luisterde en de tijd voor me nam. Iemand die mijn hart nog sneller deed kloppen. 

‘Ja, wat sta je daar te staan?!’ daagde hij me uit: ‘Daar heb je niets meer op te zeggen, hè?!’ Er gleed een brede grijns op zijn gezicht. Alsof hij een wedstrijd had gewonnen.

‘Je zit er behoorlijk naast..’ fluisterde ik timide. Hij deed een stap naar voren. Zijn ogen stonden groot en dreigend voor de mijne. Maar ik zou me niet door hem laten intimideren. Niet weer! Ik was het zat om door hem gekleineerd te worden. Ik rechtte mijn rug en keek hem fel aan: ‘Ik weet wel zéker dat er nog iemand om me geeft!’ verdedigde ik mezelf. Hij deinsde ietwat achterover en vroeg om uitleg. 

En dat gaf ik hem. Ik vertelde dat ik een tijdje terug mijn vroegere liefde had gebeld. Gewoon, omdat ik nog zoveel vragen had. Dat we nu zo af en toe met elkaar belden. Dat hij me het gevoel gaf dat hij om me gaf. Dat we elkaar ook al een keer gezien hadden, verzweeg ik liever nog even. 

Meteen draaide hij zich om en beende naar de telefoon. ‘Dit zal ik je ouders vertellen!’ schreeuwde hij. Hij greep de hoorn van de haak. ‘Dat zullen ze leuk vinden!’ spotte hij. 

Ik rende op hem af en probeerde de telefoon uit zijn handen te trekken. Er ontstond een lichte worsteling, die ik uiteindelijk moest verliezen. Dan maar een andere tactiek. De stekker eruit! De verbinding verbreken. En dat lukte.

Hij droop af met de mededeling dat zijn tijd nog wel zou komen. Hij zou het tegen iedereen vertellen die het maar horen wilde. Ik zou er helemaal alleen voor komen te staan. Niemand die nog wat met mij te maken wilde hebben!

De dagen daarna lukte het hem inderdaad om mijn ouders te informeren. Hun reactie vertelde hij me niet, maar ik kon me voorstellen dat ze woedend waren. Ook gezamenlijke vrienden moesten het weten. Iedereen! Zelfs de vrouw van mijn verboden liefde. De wereld stond op zijn kop.

Dit was het niet waard! Er moest een eind komen aan het geheime contact. Deze liefde had toch geen toekomst. Het maakte het leven alleen maar nòg ingewikkelder.  

In mijn hart nam ik afscheid. Afscheid van die heerlijke belmomenten. Afscheid van die mooie stem aan de andere kant van de lijn. Afscheid van mijn grote liefde. 

Afscheid van de hoop op een betere toekomst..