Me-time

Ik kijk op de klok. Nog zo’n anderhalf uur voordat ik werken moet. Mooi! Ik nestel mezelf op de hoek van de bank. Gooi mijn voeten recht vooruit. Duw een kussen naast me en één achter mijn rug. Wiebel wat heen en weer. Zit prima zo! Dan haal ik mijn mobiel tevoorschijn. Dat is toch wel het makkelijkste. Het typt prettig en niemand heeft door dat ik aan het bloggen ben.

Even sluit ik mijn ogen om me te concentreren op wat ik schrijven wil. Ik ga terug in de tijd. Naar toen ik 18 jaar was. Ik probeer te voelen wat ik toen voelde. Hoe ik in het leven stond en waar ik mee bezig was. Smoorverliefd was ik. En even voel ik dezelfde warmte als ik toen voelde.

‘Mam!’ hoor ik dan. Dochter komt de kamer binnen en vraagt aandacht. Ik ben uit mijn verhaal. Ietwat geïrriteerd kijk ik op. ‘Wat is er?!’ ‘Nee, laat maar. Ik heb het al..!’ Ik mompel iets van ‘oke’ en ga terug naar waar ik gebleven was. Dan zit ik weer op mijn kamertje, in de zusterflat en wacht op mijn geliefde. Spannend! Zenuwachtig loop ik naar de spiegel. Zit mijn haar wel goed?

De vaatwasser piept. Klaar met zijn programma. ‘Dat kan nog wel wachten,’ besluit ik. Nu is het ‘me-time’! In gedachte zet ik de tijd iets vooruit en zie ons languit liggen op het bed. De enige comfortabele plek die mijn kamertje rijk is. Mijn geliefde en ik bekijken wat jeugdfoto’s van me. Ondertussen strijkt zijn hand liefdevol door mijn haar. Ik kijk opzij en kus zijn wang.

Dochter twee komt binnen. ‘Weet u wat ik vandaag hoorde?’ Ik heb geen idee. Wil het eigenlijk ook even niet weten. Ik wil in mijn verhaal blijven, maar dochter-lief denkt daar anders over. ‘Mam, luistert u wel?!’ klinkt het verwijtend. ‘Huh? Wat?’ ‘Nou, weet u.. ik hoorde..’ Langzaam vervaagd het beeld van mij en mijn grote liefde. Ik wordt terug geroepen naar deze tijd.

Kleine dreumes klimt op mijn schoot. ‘Ikke schoot zitten!’ ‘Mama is even bezig, lieverd!’ Ze stampvoet en zet het op een gillen. ‘Ikke jouw schoot!’ maakt ze nogmaals duidelijk. Ze worstelt zichzelf de bank op en neemt plaats op mijn benen. Ze werkt haar rugje achterover tegen mijn buik. Haar armpje gaat omhoog en ik voel haar handje in mijn nek kriebelen. Zo lief! Even geniet ik van het moment. Maar wil dan weer terug naar mijn verhaal. Mijn herinnering. Daar, op dat bed..

De deurbel. ‘Wie doet er open?’ roep ik. Geen antwoord. Ineens lijkt niemand zich meer in de kamer te begeven. Dan moet ik het zelf maar doen. Peuter zet ik naast me op de grond. Zuchtend loop ik richting de deur. ‘Hallo mevrouw. Heeft u even tijd?’ Ik wil zeggen dat het niet schikt, maar hij staat al te zwaaien met het pasje dat mij moet vertellen dat hij betrouwbaar is. ‘Ik heb een geweldig mooi aanbod voor u. Alleen vandaag!’ Misschien verwacht hij nu een dankbare glimlach, maar ik kan niets anders zeggen dan dat ik geen interesse heb. ‘Maar mevrouw, dan doet u zichzelf ongelooflijk tekort!’ Tja, inderdaad. Ik had gewoon niet naar die deur moeten lopen. Daar gaat mijn tijd!

Als ik de jongeman eindelijk heb kunnen aftroeven, loopt hij met hangende schouders de tuin weer uit. Ik loop in dezelfde houding terug naar de bank. Daar zit de kleine meid, triomfantelijk in het hoekje: ‘Ikke buite pele!”Ik wil niet..’ Maar daar heeft zij geen boodschap aan. Ze rent al naar de kapstok en haalt haar jas tevoorschijn. Haar schoentjes volgen. ‘Oke dan!’ geef ik toe. Ik haal mijn mobiel uit mijn zak en stop hem in mijn handtas.

Er is blijkbaar geen tijd voor ‘me-time’. Het is weer ‘we-time’.

Advertenties

33. Praten

‘Ik wil praten,’ fluisterde ik zo hard mogelijk: ‘Niet later, maar nu!’ Het was zaterdagochtend. Uitslaap-ochtend. Maar ik stond, al aangekleed, voor het grote bed en keek hem recht aan. Langzaam hief hij zijn hoofd van het kussen: ‘Hoezo?’ Ik rolde met mijn ogen en betrapte mezelf erop met opgeheven vinger te staan. Alsof ik een zoon toesprak. Snel zette ik mijn hand in mijn zij. ‘Ik ben het zat om alleen maar te praten, als we bij de therapeut zijn. Dat moet nu toch ook gewoon lukken?!’

Eigenlijk is het best lastig. We leven alle dagen met de kids om ons heen. Zijn druk met werken en de boel coördineren. Er is zelden ruimte voor een persoonlijk gesprek. De oudsten liggen laat op bed en de jongsten halen ons zelfs ’s nachts uit onze slaap. Daarbij wil ik de meiden niet onnodig belasten met de spanningen die er tussen ons zijn. Dus worden diepgaande gesprekken vaak vermeden, zodat de sfeer in huis ontspannen blijft.

‘Ik wil gewoon dat je nú mee naar beneden komt.’ De kinderen waren nog stil. Lagen nog te slapen. Deze kans wilde ik benutten. ‘Hou op, joh! Ga gewoon weg!’ was zijn antwoord. Hij liet zijn hoofd weer zakken en draaide zich om. Even voelde ik me uit het veld geslagen. Was ik verbijsterd. Maar toen rechtte ik mijn rug en besloot door te zetten. Het was toch van de zotten dat we thuis deden of er niets aan de hand was, terwijl bij de therapeut ons leven op de kop stond.

Ik legde mijn hand op zijn schouder. ‘Nu!’, herhaalde ik zachtjes, maar dwingend. Hij schudde mijn hand van zich af: ‘Rot gewoon op!’ hoorde ik hem zeggen. Maar zo makkelijk kwam hij niet van me af. Het werd tijd dat hij ook de noodzaak van praten inzag. ‘Weet je, als je nu niet meekomt om te praten, dan mag jíj vertrekken. Oprotten, zoals jij het noemt!’ Het was lastig mijn stem niet te verheffen. ‘Ga zelf lekker weg!’ mompelde hij nog. Maar ik zag dat ik zijn aandacht had getrokken. Langzaam kwam hij overeind. ‘Als we zelfs niet meer kunnen praten, wil ik je nu vragen je tassen te pakken, het huis te verlaten en nooit meer terug te komen!’ siste ik. Toen sloeg hij het dekbed opzij: ‘Oke, waar wil je het over hebben dan?’

Samen liepen we de trap af. Hij nestelde zich op de bank. Zijn benen opgetrokken. Hij had iets weg van een bange hond . Maar ik voelde me geen baas of winnaar. Nog altijd was ik de verliezer. Want dat het zover tussen ons gekomen was, had ik nooit gewild.

‘Ik zie geen meerwaarde meer in het samen-zijn,’ begon ik rustig mijn relaas. ‘Na alles wat er gebeurd is. Na het gesprek bij de therapeut. Ik zie er geen heil meer in. Ik mis de motivatie om mijn schouders er nog onder te zetten. Na wat jij mijn dochter hebt aangedaan, is alles omlijnt door een zwart randje. Hangt er altijd een donkere wolk boven ons bestaan.’Ik wees hem op de afstand die er tussen ons was ontstaan. Zijn lastige positie die hij binnen het gezin had verworven. Maar ook de financiële schulden, die ik door hem had gekregen. En zelfs de zooi in- en rondom het huis, die ik dagelijks van hem tegenkwam. ‘Ik zie alleen nog maar voordelen in een scheiding. Dat zou alles oplossen,’ zei ik tenslotte.

‘En onze meisjes dan?’ vroeg hij timide. Daar had ik al zo vaak over nagedacht. Voor hen wilde ik nog samen doorgaan. Maar als dat niet zou gaan, dan moesten zij er zo min mogelijk onder lijden. ‘Als wij goede afspraken maken, komt het met hen ook wel goed,’ zei ik heldhaftig. Ik had het ze zo graag willen besparen. Twee apart wonende ouders.

‘Ik wil ze dan wel de helft van de tijd. Co-ouderschap, of zoiets,’ gaf hij te kennen. Dat was heel wat anders dan hoe het nu met de oudste meiden ging. Die zagen hun vader nooit. Werden door hem totaal genegeerd. Hoe anders zou het zijn voor de jongste meisjes. Een goede oplossing. Maar ook een lastige. Het zou betekenen dat ik de meisjes de helft van de tijd zou moeten missen. Dat ik er niet altijd zal zijn, als zij mijn naam zullen roepen. Die gedachte deed pijn. Ik voelde mijn ogen branden. Een traan ontsnapte over mijn wang. Mijn mondhoek trilde.

‘Kom maar!’ zei hij en kwam naast me zitten: ‘Je hoeft je niet groot te houden!’ Hij legde een arm om me heen. Ik verstijfde. Wilde de moed niet verliezen, maar doorzetten. ‘Laat maar, ik red me wel.’ Met mijn mouw veegde ik mijn gezicht weer droog. Ik ging rechtop zitten en zuchtte diep om weer op adem te komen.

‘Ik ben blij dat we zo gesproken hebben,’ zei ik later opgelucht. ‘Ook dat miste ik enorm in onze relatie!’ ‘Dan moeten we dat toch veel vaker doen,’ opperde hij. En het leek alsof hij daardoor toch nog een sprankeltje hoop had terug gevonden.

32. Vraagtekens

‘Ik wil met jullie teruggaan naar het moment waarop het misbruik aan het licht kwam,’ stelde de therapeut voorzichtig voor. We zaten in het kleine kamertje. Met z’n drieën, schuin tegenover elkaar en vormden zo een gespreks-driehoek. ‘We beginnen bij jou,’ zei ze, met een knikje mijn richting uit. Ik haalde diep adem. Het woord ‘misbruik’ was al afschuwelijk om te horen. Laat staan om erover te praten.

Ik dacht diep na om woorden te geven aan dat verschrikkelijke moment dat mijn dochter het vertelde: ‘Het was alsof er een koude hand om mijn hart werd gelegd. Alsof mijn keel werd samengeknepen. Maar tegelijk kon ik het ook niet geloven,’ zuchtte ik. ‘Toen het tot me doordrong was het alsof de hele basis, alles waar we op hadden gebouwd, werd weggeslagen. Onder mijn voeten werd plat-gebombardeerd. En ik op de ruïne’s moest leren verder te leven.’

Het was niet de eerste keer dat ik zo’n ervaring had. In mijn eerste huwelijk was ik daar al vaker tegenaan gelopen. Telkens, als ik er weer achter kwam dat de vader van de oudste meisjes helemaal niet zo’n nette jongen bleek te zijn, als ik had vermoed. ‘Ik was misschien inmiddels gewend om door te gaan. Na elke klap die ik te verwerken kreeg, in het verleden, krabbelde ik ook weer op. Strompelde verder. Roeide ik door, met dat wat ik nog over had van de riemen. Zo voelde het toen ook!’

Ik keek opzij en peilde zijn reactie. Ik zag dat zijn ogen rood waren, maar er waren geen tranen. Zwijgend zat hij daar en ik ging verder: ‘Toen bleek ik ook nog eens zwanger! Dat was de druppel. Ik overzag het niet meer. Wist niet meer hoe ik alleen verder moest gaan.’ Ik vertelde over de onmacht die ik voelde. De pijn. Maar ook de onzekerheid over de keuze die ik toen had gemaakt.

‘Hoe is dat voor jou om te horen?’ vroeg de therapeut aan de man rechts van mij. Hij keek verschrikt op. ‘Rot!’ klonk het schuldbewust.

‘De enige reden dat ik nu nog bij je ben, is voor onze kinderen,’ ging ik verder:’En omdat we het fatsoen hebben om normaal met elkaar om te gaan.’ Hij knikte langzaam en mompelde: ‘Dat snap ik.’

‘Voor mij kwam het misbruik als donderslag bij heldere hemel,’ legde ik uit: ‘We hadden het toch goed samen? Ik was dankbaar dat ik je was tegengekomen. Blij dat ik ook eens mocht meemaken wat het is om ‘gelukkig-getrouwd’ te zijn. Ik voelde me een team met je. Samen-één. Maar dat is nu helemaal weg.’

‘Maar hoe kwam het dan tòch zover?’ vroeg de therapeut, met haar blik op hem gericht. Ik zag hoe hij aarzelde. Wiebelde op zijn stoel. Hoe hij de vloerbedekking bestudeerde en toen weer naar mij keek. ‘Ervoer jij jullie huwelijk ook zo, zoals zij het omschreef?’ moedigde de therapeut hem aan om toch wat te zeggen. Ik hield mijn ogen op hem gericht. Keek hem verwachtingsvol aan. Hij zou dit toch ook beamen? Zeggen dat hij er hetzelfde instond als ik.

‘Nee,’ kwam er na lange tijd uit. ‘Nee, ons huwelijk was toen even wat minder.’ Verward keek ik van de één naar de ander. Ik begreep er niets van. Wilde schreeuwen: ‘Hoe kan dat nou?!’ Maar dat was niet volgens de instructies. Ik zou moeten luisteren. Stil zijn. Geduldig wachten op wat komen ging. Ik beet op mijn lip.

‘Nee,’ begon hij zijn relaas: ‘Ik had het idee dat ze me toch niet vertrouwde. Dacht eigenlijk dat het kwam door haar vorige huwelijk. Daarin was ze natuurlijk al behoorlijk beschadigd. En nu merkte ik het ook. Ze stelde me veel vragen. Wilde alles van me weten. Over mijn verleden. Over de tijd dat ik haar nog niet kende,’ hoorde ik hem uitleggen.

Waarom heeft hij me dat nooit gezegd? Dat hij het zo interpreteerde? Dat hij het zag als een kruisverhoor, in plaats van interesse? ‘We hadden toch afgesproken dat we open en eerlijk naar elkaar zouden zijn?!’ interrumpeerde ik hem nu: ‘Dat we alles tegen elkaar zouden zeggen? Dat we geen geheimen voor elkaar zouden hebben? Ja toch?’ Ik kon het niet laten hem doordringend aan te kijken: ‘Voor mij was dat een stukje investeren. Investeren in onze relatie. Omdat we dat zo hadden afgesproken en ik zuinig wilde zijn op wat we hadden. Maar dat is nu ver te zoeken. Ik stel geen vragen meer, omdat het me niets meer kan schelen! Al zou je vreemdgaan. Zolang je maar van mijn kinderen afblijft!’ gooide ik er in een keer uit.

‘Zoo’, was alles wat hij zei. Het klonk ietwat geschrokken en even zette hij grote ogen op. Verder niet. Het bleef ineens doodstil.

In die stilte bedacht ik me, dat hij misschien wel ‘verliefd’ was geweest op mijn dochter. Omdat de relatie met mij, volgens hem, even ‘wat minder’ ging. Zou dat het zijn geweest? Was dat dan de oorzaak? De reden om te doen wat nooit had mogen gebeuren? En hoe was dat dan nu? Nu onze relatie op zo’n laag pitje was komen te staan, dat ons huwelijk alleen nog maar was gebaseerd op het gezamenlijk hebben van twee kleine meisjes?

‘Mensen, het is al kwart over acht. Tijd om af te ronden,’ onderbrak de therapeut de stilte: ‘Er hangt nog een groot vraagteken in de lucht. Maar dat laten we maar even zo. Over twee weken zullen we het weer oppakken.’ Ik knikte gedwee. Het was een groot, onopgelost, vraagteken, ja. Dat hing er en zou er voorlopig blijven.

En eigenlijk was het er al jaren. Maar inmiddels was het nog veel groter dan voorheen.

31. Een afspraakje

Wat voelde ik me verloren, die eerste weken in de zusterflat. Als zeventien-jarige werd ik ineens in het diepe gegooid. Ik moest mijn eigen potje koken, zelf de afwas doen, mijn kleding eigenhandig wassen en mijn kamer netjes houden. Dat viel niet mee.

Ook maakte ik kennis met allerlei nieuwe mensen. Mijn gang- en studiegenoten. Sommigen waren net begonnen, net als ik. Anderen waren al doorgewinterde kamer-bewoners. Zij maakten me wegwijs in dit onbekende bestaan. 

Het was flink wennen. Ik voelde me soms vergeten. Alleen op mijn kamertje. Alsof ik er netjes opgeborgen zat en er niemand was die zich nog over me bekommerde. Tot op die avond. Ergens, in die eerste weken. Toen de telefoon ging..

Het was nog zo’n groot, grijs apparaat. Met draaischijf. De enige die onze gang rijk was. Hangend in het midden van de lange hal, waaraan alle kamerdeuren grensden. Het schelle geluid was overal hoorbaar. Maar daar raakte ik al snel aan gewend. Meestal waren het de meiden van de oudere garde die hem dan opnamen. Zij kenden degenen die hier woonden het best. Zij wisten wie ze roepen moesten, als er voor iemand werd gebeld. Dat was, tot nu toe, nog nooit voor mij geweest.

Maar dit keer werd er op mijn deur geklopt: ‘Telefoon voor jou!’ Ik opende snel mijn deur. Bedankte haastig de boodschapper en rende naar de hoorn die inmiddels, bengelend aan het gekrulde snoer, bijna de grond raakte. Vlug nam ik het ding ter hand en verwachte mijn moeders stem aan de andere kant van de lijn. 

‘Ja, hallo?’ zei ik bijna buiten adem.‘Hoi! Ken je me nog?’ hoorde ik een diepe, warme stem zeggen. Hij noemde zijn naam en ik begreep direct om wie het ging. Het was de jongen die ik op het examenfeest van mijn vriendin had ontmoet! ‘Ja, natuurlijk! Wat leuk dat je belt,’ zei ik enthousiast. Ik hoopte dat ik niet al te wanhopig over zou komen. ‘Zou je het leuk vinden als ik van de week nog bij je langskom?’ vroeg hij. Mijn hart sloeg over. Hij hield zich dus aan zijn belofte!  ‘Ja, best!’ probeerde ik rustig te blijven. Maar ik kon wel dansen van plezier. 

De afgesproken avond deed ik extra mijn best er goed uit te zien. Mijn lange haar getoupeerd. Flinke laag haarlak eroverheen. Een beetje mascara en wat oogpotlood. Toen ik eindelijk tevreden was, zette ik mijn deur op een kier en nestelde me op èèn van de twee stoelen die mijn kamertje rijk was. Ik spitste mijn oren in de hoop dat ik hem zou horen, zodra hij onze verdieping had bereikt.

Nog voor de afgesproken tijd was daar het krakende geluid van de deur naar het trappenhuis. Voetstappen op de gang, die steeds dichterbij leken te komen. Geroezemoes van een mannenstem die mijn naam noemde. En toen vastere stappen richting mijn deur. Vluchtig kneedde ik mijn lok. Nam snel de juiste houding aan en bleef zo zitten. Het moest lijken alsof zijn komst me overrompelde.

Er volgde een kort klopje. ‘Binnen!’ riep ik automatisch. De deur werd langzaam opengeduwd. En daar stond hij. In de deuropening. Lang, breed en zijn krullen goed gekapt langs zijn hoofd. ‘Hoi’, zei hij nonchalant. ‘Ha! Kom verder!’ deed ik kalm, terwijl ik mijn hart in mijn keel voelde bonken. 

Die avond nam hij me mee om wat te drinken in de stad. Onder het genot van Pisang-Ambon met jus d’orange, praatten we honderduit. Ik had geen notie van de omgeving. Was alleen maar bezig met wat hij van me vond en waarom hij eigenlijk gekomen was. Stilletjes vroeg ik me af of hij mij net zo leuk vond als ik hem.

Laat in de avond liepen we terug naar de auto. De auto van zijn broer, die hij speciaal voor deze gelegenheid had mogen lenen. Hij zou me terugbrengen naar mijn kamer. Me daar weer afzetten. Me alleen achterlaten. En dan? Zou er nog een volgende afspraak komen?

Ik voelde hoe hij voorzichtig een arm om mijn schouder legde. Ik keek even naar hem opzij en glimlachte. Het stelde niets voor, maakte ik mezelf wijs. Dit deed hij misschien wel vaker bij meisjes die hij aardig vond.

Bij de auto aangekomen, keerde hij zijn rug naar het portier. Langzaam liet hij zijn lichaam achterover leunen, tot hij steun vond tegen de auto. Toen strekte hij beide handen naar mij uit en omklemde mijn polsen. Ik deed een stap dichterbij en zag de glinstering in zijn ogen. Ik voelde hoe hij me zacht naar zich toe trok, tot mijn lichaam het zijne raakte. Ik legde mijn hoofd tegen zijn schouder en voelde hoe zijn hand liefdevol door mijn haren gleed.

‘Als je eens wist hoelang ik hierop heb gewacht?!’ fluisterde hij. Ik hief mijn hoofd naar hem op en beantwoorde de intense zoen die hij gaf. Daarna glimlachte ik: ‘Word jij dan de vader van mijn toekomstige kinderen?’