Gevangen

Een pedofiel is iemand die je alleen in het nieuws tegen komt. Zo’n zielig mannetje, die nergens meer kan wonen. Want niemand wil hem in de buurt.

Een pedofiel herken je meteen. Het is een eigenheimer. Op zichzelf. Zo’n vaag figuur, die haast nooit buiten komt. Een einzelgänger, die je niet snel tegen zult komen.

Dacht ik..

Maar nu weet ik wel beter. Nu weet ik dat een pedofiel veel dichterbij kan zijn, dan je denkt. Dan je hoopt. Dan je wilt. En dat hij niet is te herkennen aan zijn uiterlijk, zijn gedrag of aan zijn leven.

Het kan dus, gewoon, die ene nette vriend zijn. Getrouwd en zelfs vader van kinderen. En hij kan zich dus, zomaar, vergrijpen aan je dochter. Ongestoord. Zonder dat je het door hebt. Omdat jij hem vertrouwt. En hij bewust kiest voor je kleine meisje, die nog niets vertellen kan. Die niet tegenstribbelt, omdat ze niet begrijpt wat er gebeurd.

Niet alleen zij is slachtoffer van deze misselijke daad. Maar ook ik voel me dat. Omdat hij, in míjn huis, aan míjn kind heeft gezeten.

Terwijl hij nu netjes vast zit in een cel, moeten wij leren leven met de wetenschap van wat hij heeft gedaan. En er verder over zwijgen, omdat zelfs zo’n schoft nog recht heeft op wat privacy. Nog recht heeft op een goed leven.

Als je een zwaar ongeluk hebt gehad, dan kun je daar over praten. Als je ernstig ziek bent, vertel je dat gewoon. Als je littekens hebt, kunnen mensen dat zien. Maar slachtoffers van zedendelicten zitten gevangen. Want zeden-misdaden, daar praat je niet over. Dat is te intiem.

En als de dader straks weer vrij rond loopt, zitten de slachtoffers nog altijd gevangen. Vast in hun emoties. Pijn, onmacht en frustratie. Want, terwijl de dader al heel vaak is verhoord en wederhoord, is het slachtoffer vaak nog nooit echt gehoord.

Advertenties

Slachtofferhulp (2)

‘Wilt u koffie?’ vroeg ik, zodra de man en de vrouw plaats hadden genomen op de bank. ‘Nee, hoor,’ zei de man. Hij keek ernstig. ‘Gaat u eerst zelf ook maar even zitten,’ stelde hij voor.

Ik had graag nog even aan het idee willen wennen, dat de zedenpolitie op míjn bank zat. Even acclimatiseren, onder het zetten van een pot koffie. Maar, gedwee, nam ik plaats op de stoel tegenover hen.

De vrouw glimlachte geruststellend, terwijl de man het woord nam. ‘We hebben u gisteren dus gebeld. Heeft u enig idee waarvoor we komen?’ Stilletjes vroeg ik me af of hiermee de eerste stap van dit onderzoek was gezet.

‘Geen idee!’ gaf ik toe. Natuurlijk had ik, sinds het desbetreffende telefoontje, alleen maar lopen gissen. Het kon de vader van de oudste meisjes zijn. Of, misschien wel, die van de jongste twee. Of moest ik het verder zoeken? Ergens in de vriendenkring?

‘Het gaat namelijk over de heer.. ‘ en toen klonk de naam van een vroegere vriend. Iemand, die ik al jaren niet meer had gezien. Totaal uit het oog verloren.

Ik kende hem vanuit mijn vorig huwelijk. Toen ik nog getrouwd was, met de vader van de oudste meisjes. De mannen waren vrienden. En ik kon aardig overweg met zijn vrouw. Het stel kreeg ook twee dochters. Van dezelfde leeftijd als de onze. We werden steeds hechter. Zo close zelfs, dat ze eens zes weken in ons huis hebben gewoond.

Niet zomaar. Het was een win-win situatie. Zij stonden op het punt van verhuizen. Van de grote stad naar ons dorp. En ik zat verstrikt in een ernstige depressie. Veroorzaakt door mijn huwelijk, met een narcistische man. Mijn therapeut had me geadviseerd een aantal weken op adem te komen. Ergens in een rustoord. Maar dat zag ik niet zitten. Alléén, als ik zeker zou weten dat er goed werd gezorgd voor mijn twee meisjes, van toen twee en vier. Het stel wilde die taak wel op zich nemen. Dan konden ze tegelijk vast wennen aan ons dorp. En de avonden klussen in hun nieuwe huis.

Vóór mijn vertrek toverde ik de zolder om tot een heuse woonetage. Daar konden ze zolang hun intrek nemen. Ik regelde verder iemand voor de was, de strijk en het uitlaten van de hond. De vaders konden, zodoende, gewoon doorgaan met hun werk. En ik kon, met een gerust hart, de boel achterlaten. De meisjes zouden me nauwelijks missen.

Over deze man ging het dus. De man, van dit stel. Dat tijdelijk bij ons in huis heeft gewoond. Voor onze kinderen heeft gezorgd. ‘Ja, die ken ik wel,’ gaf ik toe: ‘Maar, sinds mijn scheiding, is dat contact compleet verwaterd.’ ‘Hij zit in detentie..’ gooide de man eruit. In detentie? Waar was het mis gegaan met hem? ‘In verband met incest,’ voegde de man er iets voorzichtiger aan toe. ‘Oh?!’ Wat gruwelijk! Hoe kon het gebeuren? Waarom had ik nooit iets gemerkt? Arme meisjes!

‘Maar nu..’ de man keek me aan, alsof hij mijn volledige aandacht nodig had. Ik rechtte mijn rug en luisterde aandachtig. ‘Nu heeft hij, tijdens het verhoor, nóg een bekentenis afgelegd. Iets, waarmee we behoorlijk in onze maag zitten. We hebben de officier van justitie gevraagd wat we ermee aan moesten. En hij heeft ons opgedragen ermee naar jullie toe te gaan.’

‘Oke,’ knikte ik. Maar ik had geen idee waar hij naartoe wilde met zijn verhaal. ‘Kunt u me volgen?’ hoorde ik de man vragen. De vrouw zat nog altijd zwijgzaam naast hem. Haar ogen, continu, op mij gericht. ‘Ja, ik denk het wel..’ deed ik twijfelachtig. Dus hervatte hij zijn relaas: ‘Meneer wilde, na al die jaren, eindelijk alles eruit gooien. Volledig schoon schip maken. Dus heeft hij alles opgebiecht. Werkelijk alles. En dus..’ Ik schoof naar het puntje van mijn stoel. Me bewust dat nu het moment was aangebroken.

‘Zo heeft hij, tijdens het verhoor, verteld dat hij niet alleen zijn eigen dochters heeft misbruikt. Maar.. ook een dochter van u.’ Met grote ogen keek ik van de man naar de vrouw. ‘Wie van de twee?’ wilde ik weten. ‘Het is gebeurd toen hij, met zijn gezin, een tijdje bij jullie heeft gewoond,’ legde hij verder uit: ‘Het gaat om de jongste van destijds.‘ ‘Walgelijk! Wat ziek!’ riep ik.

Ongeloof, afschuw en boosheid volgden elkaar in rap tempo op. Hoe kon een vent zich vergrijpen aan een onschuldig kind van twee?! Wrok en duizenden vragen. Waarom? Hoe had het kunnen gebeuren?! Waarom ben ik er zelf niet achter gekomen?

‘Had u dit verwacht?’ vroeg de man na een tijdje. ‘Nee,’ zuchtte ik. Maar opeens vielen er heel veel puzzelstukjes op z’n plaats.

Ik begreep nu waarom het zolang duurde, voor mijn dochter zindelijk werd. Ik begreep eindelijk, waarvoor ze al die nare onderzoeken moest ondergaan. Waarom ik, jaren achterelkaar, ziekenhuis in en ziekenhuis uit heb gelopen met haar. Hoe het kwam dat de sessies bij de fysiotherapeut op niets uitliepen. Waarom ik dóór werd gestuurd naar een orthopedagoog. En deze algauw speltherapie voorstelde. Hoe het kwam dat, daarna, seksueel misbruik niet bevestigd kon worden nòch uitgesloten.

Eindelijk kreeg ik antwoord op al deze vragen. Maar het antwoord was een verschrikking. Een nachtmerrie, die ik nooit had gewild.

Slachtofferhulp (1)

Het was een hele gewone dag. Een simpele maandag. Ik haalde de kinderen van school. En daarna stelde ik voor om samen even naar de Action te gaan. Heel gewoon. Zoals we dat wel vaker deden.

We liepen daar, in de drukte. Zoals dat veel voorkomend is in de Action. Eigenlijk hadden we niets nodig, maar wilden wel vanalles. En net toen ik me bedacht waar ik nu eigenlijk aan begonnen was, klonk vanuit mijn tas dat bekende deuntje. Mijn telefoon! Ik ritste snel mijn tas open en greep naar m’n mobiel. Maar het was al te laat. ‘3 gemiste oproepen’ stond er in het display. Iets belangrijks dus?!

Snel checkte ik het nummer. Het bleek niet van één van mijn contacten. Dus besloot ik me weer te focussen op mijn shoppende meisjes. Maar toen kreeg ik een sms-bericht met de boodschap dat mijn voicemail was ingesproken.

De hardnekkige beller maakte me nieuwsgierig. Dus besloot ik daar, strak tegen één van de schappen en tussen al het winkelend publiek, het bericht toch even snel te beluisteren. Ik prikte mijn vingertop in mijn vrije oor en sloot mijn ogen.

‘Goedemiddag mevrouw…’ Ik hoorde mijn naam noemen door een onbekende stem. ‘U moet niet schrikken, maar wij van de politie zoeken contact met u. Kunt u, zodra u daar toe gelegenheid hebt, ons bellen op het volgende nummer…’

Oke. Ik moest dus niet schrikken, maar inmiddels zat ik bijna onder de schappen. Natúúrlijk schrok ik me rot! Ik had me nog nooit zó ongerust gevoeld in deze winkel.

Ik wilde naar buiten. Zo snel mogelijk terug bellen. Maar inmiddels liepen mijn dochters overal verspreid. Ik keek snel om me heen. Taxeerde de drukte en de plek waar ik stond. En besloot toen dat ik best nòg een telefoongesprek kon voeren hier. Dus toetste ik het opgegeven nummer in.

‘Hallo. U heeft zojuist mijn voicemail ingesproken,’ zei ik, zodra er werd opgenomen. ‘Mooi dat u zo snel kon terugbellen, mevrouw,’ zei de man. Ik slikte en hield mijn adem in. ‘Er is niets ernstigs gebeurd, hoor, maar we zijn van de zedenpolitie. En willen u graag even spreken in verband met een lopend onderzoek. Kan dat?’ ‘Ja, hoor,’ deed ik gelaten, terwijl mijn hart mijn binnenste uit leek te stuiteren: ‘zeg het maar..’ Ik zette me schrap.

‘Nee, we willen eigenlijk daarvoor bij u langs komen. Is dat mogelijk? Schikt het morgenochtend bijvoorbeeld?’ Ik probeerde snel te bedenken of ik dan al iets in de planning had. Maar meteen bedacht ik me dat er niets belangrijker kon zijn dan dit. ‘Prima!’ antwoordde ik quasi laconiek. ‘Goed, dan zien we elkaar morgen. Elf uur. We komen in burger en we zijn met z’n tweeën.’ ‘Is goed, hoor!’ probeerde ik luchtig te laten klinken. En na een formeel afscheid, stopte ik gespannen mijn telefoon weer weg.

Even keek ik om me heen. Het was alsof ik zojuist, vanaf een andere planeet, midden in de winkel was beland. Verward. Verstrooid. Gedesoriënteerd.

Maar toen kwam mijn dochter naast me staan: ‘Mam, wie was dat?’ Ik haalde mijn schouders op en zei: ‘Geen idee!’ Vlug draaide ik me om en vroeg waar de anderen waren. Ik wilde mijn meisjes niet belasten met mijn angsten en vragen.

Algauw waren we weer compleet. Ik had geen zin meer om de rest van de winkel door te struinen. Ik wilde naar huis. Alleen zijn. En even laten bezinken en overdenken. Wat stond me te wachten? Wat hing er boven ons hoofd?

Morgen zouden we het weten. Morgen al. Nog maar één nachtje slapen, zou ik tegen de kinderen zeggen. Maar nog nooit heeft ‘één nachtje’ zo lang geduurd!