34. In vertrouwen

‘Het is teveel. Te gecompliceerd. Te zwaar om alleen te dragen,’ waren de woorden van de man op het scherm. We staarden alledrie naar het beeld. Onze therapeut, de vader van de jongste twee en ik. We knikten en wachtten op zijn oplossing.

Onze therapeut had de raad ingeroepen van haar collega. Ze had mijn vertrouwde therapeut van vroeger gevraagd eens mee te denken. Hij was betrokken geweest bij mijn vorige relatie. Had mij destijds door de scheiding geholpen van de vader van de oudste meisjes, die narcistisch was.

Nu hadden we een Skype-sessie met hem. Hij woonde te ver weg om persoonlijk deel te nemen aan het gesprek. Maar de boodschap was over gekomen en zijn conclusie duidelijk.

Teveel. Te zwaar. Te gecompliceerd. Hoe nu verder? ‘Jullie moeten dit niet langer geheim blijven houden. Ga ermee naar mensen, die je in vertrouwen durft te nemen. Praat erover en hoor hun visie aan. Alleen het delen ervan zal al verlichting kunnen geven.’

We spraken af met wie we zouden praten. Het moest in elk geval iemand van beide families zijn. Mijn moeder? Moesten we haar hier nou wel mee belasten? Zijn moeder? Hetzelfde verhaal. Zijn zussen? Mijn zussen?

‘Spreek van te voren af dat je iets te vertellen hebt, maar geen oplossing van hen verwacht,’ was zijn raad. En daarmee zouden we eindelijk het geheim doorbreken.

Het voelde eigenlijk wel prettig. Eindelijk praten over hetgeen me al die jaren al bezig houdt. Eindelijk kunnen uitleggen dat mijn leven helemaal niet zo rooskleurig is als het er uitzag. Niet langer op mijn tenen hoeven lopen om de schijn op te houden.

We spraken af dat ik eerst mijn moeder zou inlichten. En hij zijn zus, omdat het contact met zijn moeder, zonder aanwijsbare reden, op een erg laag pitje was komen te staan. Met deze twee mensen hadden we dan een start gemaakt en konden we zien wat het uit zou werken.

Met de dag werden mijn verwachtingen sterker. Ik hoopte dat mijn moeder en schoonzus toch hun afschuw over het misbruik uit durfden spreken. Dat ze me zouden steunen en me in de gelegenheid zouden stellen mijn plan te trekken. Bereid zouden zijn me eventueel financieel te ondersteunen.

‘Mam, ik moet wat vertellen.. Ik vind het echt heel rot om te zeggen. Maar ik loop er al jaren mee..’ Die ochtend zat ik bij haar aan de keukentafel. Ik voelde hoe mijn lijf begon te trillen. Ik had mijn emoties niet meer onder bedwang en begon te huilen. Tranen biggelden over mijn wangen en even was ik niet in staat om verder te praten..

‘Weet u..,’ snikte ik even later verder. En toen vertelde ik over de dag dat de school van mijn dochter belde. Over het gesprek dat volgde met mijn dochter. Over het misbruik dat had plaatsgevonden. Over de therapiesessies en het wantrouwen. Ik gooide alles eruit. Mijn moeder zuchtte tussen de regels door en haar gezicht stond ernstig.

‘Wat verschrikkelijk voor jullie!’ zei ze uiteindelijk: ‘en nu?’ ‘Mam, ik weet het werkelijk niet! Ik zou niet weten hoe het verder moet..’ ‘Meisje, je verhaal is hier in elk geval in vertrouwde handen. Ik zal er met niemand over praten. Ik durf zelfs je zussen niet in te lichten hierover,’ zei ze uiteindelijk.

‘Enneh.. praat er verder maar met niemand over. Daar heb je toch niets aan.’

Dat bleek wel weer..

Advertenties

Liefde

Je streelt me. Je vingers glijden langzaam over mijn rug. Je handen voelen heerlijk warm. Je drukt je lippen zacht in mijn nek. Ik hoor je hijgen, maar ik krimp in elkaar.

In mijn hoofd speelt zich een gevecht af. Wat heb ik behoefte aan deze aanrakingen, liefkozingen. Maar niet nu! Niet nu onze relatie op scherp staat. Nu je alle afspraken aan je laars lijkt te lappen. Je schijt lijkt te hebben aan alle adviezen die de therapeuten je ooit hebben gegeven.

Je zou gaan praten. Vertellen wat er is gebeurd. Je zou het opbiechten aan je familie. Zodat zij ook begrijpen waar het mis ging.

Je zou luisteren. Luisteren naar de pijn. Je zou open staan voor boosheid, verdriet, achterdocht en alle andere gevolgen die jouw misdaad heeft veroorzaakt.

Maar je doet er niets mee. Je praat niet, je luistert niet. Leeft gewoon door, alsof er niets is gebeurd.

Je haalt me aan. Je probeert me te zoenen. Maar ik druk mijn lippen stijf op elkaar. Het lukt me niet deze te beantwoorden. Ik lijk te verstenen. Te bevriezen.

Oh, wat wil ik het graag! Verdrinken in de liefde. Me mee laten voeren in het liefdesspel. Alles om me heen vergeten. Intens genieten en liefhebben..

Maar ik voel de liefde niet. Dus kan ik het niet.

Stilte 

Stilte. Ik verlang naar volkomen stilte. En in die stilte, wil ik voelen. Echt voelen. Intens het gevoel binnen laten van pijn, gebrokenheid. Maar ook van liefde.

Het lijkt alsof er geen plaats meer is voor gevoelens. Het leven lijkt meer op een computerspel. Met steeds weer nieuwe hindernissen. Steeds weer een hoger level. Ik spring en buk en kruip er doorheen. Steeds meer punten, met verlies van steeds meer levens. Waar houdt het op? Bij welk level zal het ‘game-over’ zijn?

Ik wil leven. Echt leven. Intens leven. Voelen waar ik mee bezig ben. Niet gedachteloos doorgaan. Me laten overspoelen, met als enig doel het hoofd boven water houden. Ik wil niet stikken. Maar de golven trotseren. Berekenen. Zien rollen. Op me af zien komen. En springen op het juiste moment.

Ik wil op adem komen. Rustig bijkomen, voordat de volgende slag geslagen moet worden. Op kracht komen om het alles weer te kunnen doorstaan. Om te leren. Te triomferen. Mijn neus in de lucht. Een glimlach op mijn gezicht. Het gevoel van moed en dapperheid. Het gevoel van leven!

Ik wil geen robot meer zijn..

33. Praten

‘Ik wil praten,’ fluisterde ik zo hard mogelijk: ‘Niet later, maar nu!’ Het was zaterdagochtend. Uitslaap-ochtend. Maar ik stond, al aangekleed, voor het grote bed en keek hem recht aan. Langzaam hief hij zijn hoofd van het kussen: ‘Hoezo?’ Ik rolde met mijn ogen en betrapte mezelf erop met opgeheven vinger te staan. Alsof ik een zoon toesprak. Snel zette ik mijn hand in mijn zij. ‘Ik ben het zat om alleen maar te praten, als we bij de therapeut zijn. Dat moet nu toch ook gewoon lukken?!’

Eigenlijk is het best lastig. We leven alle dagen met de kids om ons heen. Zijn druk met werken en de boel coördineren. Er is zelden ruimte voor een persoonlijk gesprek. De oudsten liggen laat op bed en de jongsten halen ons zelfs ’s nachts uit onze slaap. Daarbij wil ik de meiden niet onnodig belasten met de spanningen die er tussen ons zijn. Dus worden diepgaande gesprekken vaak vermeden, zodat de sfeer in huis ontspannen blijft.

‘Ik wil gewoon dat je nú mee naar beneden komt.’ De kinderen waren nog stil. Lagen nog te slapen. Deze kans wilde ik benutten. ‘Hou op, joh! Ga gewoon weg!’ was zijn antwoord. Hij liet zijn hoofd weer zakken en draaide zich om. Even voelde ik me uit het veld geslagen. Was ik verbijsterd. Maar toen rechtte ik mijn rug en besloot door te zetten. Het was toch van de zotten dat we thuis deden of er niets aan de hand was, terwijl bij de therapeut ons leven op de kop stond.

Ik legde mijn hand op zijn schouder. ‘Nu!’, herhaalde ik zachtjes, maar dwingend. Hij schudde mijn hand van zich af: ‘Rot gewoon op!’ hoorde ik hem zeggen. Maar zo makkelijk kwam hij niet van me af. Het werd tijd dat hij ook de noodzaak van praten inzag. ‘Weet je, als je nu niet meekomt om te praten, dan mag jíj vertrekken. Oprotten, zoals jij het noemt!’ Het was lastig mijn stem niet te verheffen. ‘Ga zelf lekker weg!’ mompelde hij nog. Maar ik zag dat ik zijn aandacht had getrokken. Langzaam kwam hij overeind. ‘Als we zelfs niet meer kunnen praten, wil ik je nu vragen je tassen te pakken, het huis te verlaten en nooit meer terug te komen!’ siste ik. Toen sloeg hij het dekbed opzij: ‘Oke, waar wil je het over hebben dan?’

Samen liepen we de trap af. Hij nestelde zich op de bank. Zijn benen opgetrokken. Hij had iets weg van een bange hond . Maar ik voelde me geen baas of winnaar. Nog altijd was ik de verliezer. Want dat het zover tussen ons gekomen was, had ik nooit gewild.

‘Ik zie geen meerwaarde meer in het samen-zijn,’ begon ik rustig mijn relaas. ‘Na alles wat er gebeurd is. Na het gesprek bij de therapeut. Ik zie er geen heil meer in. Ik mis de motivatie om mijn schouders er nog onder te zetten. Na wat jij mijn dochter hebt aangedaan, is alles omlijnt door een zwart randje. Hangt er altijd een donkere wolk boven ons bestaan.’Ik wees hem op de afstand die er tussen ons was ontstaan. Zijn lastige positie die hij binnen het gezin had verworven. Maar ook de financiële schulden, die ik door hem had gekregen. En zelfs de zooi in- en rondom het huis, die ik dagelijks van hem tegenkwam. ‘Ik zie alleen nog maar voordelen in een scheiding. Dat zou alles oplossen,’ zei ik tenslotte.

‘En onze meisjes dan?’ vroeg hij timide. Daar had ik al zo vaak over nagedacht. Voor hen wilde ik nog samen doorgaan. Maar als dat niet zou gaan, dan moesten zij er zo min mogelijk onder lijden. ‘Als wij goede afspraken maken, komt het met hen ook wel goed,’ zei ik heldhaftig. Ik had het ze zo graag willen besparen. Twee apart wonende ouders.

‘Ik wil ze dan wel de helft van de tijd. Co-ouderschap, of zoiets,’ gaf hij te kennen. Dat was heel wat anders dan hoe het nu met de oudste meiden ging. Die zagen hun vader nooit. Werden door hem totaal genegeerd. Hoe anders zou het zijn voor de jongste meisjes. Een goede oplossing. Maar ook een lastige. Het zou betekenen dat ik de meisjes de helft van de tijd zou moeten missen. Dat ik er niet altijd zal zijn, als zij mijn naam zullen roepen. Die gedachte deed pijn. Ik voelde mijn ogen branden. Een traan ontsnapte over mijn wang. Mijn mondhoek trilde.

‘Kom maar!’ zei hij en kwam naast me zitten: ‘Je hoeft je niet groot te houden!’ Hij legde een arm om me heen. Ik verstijfde. Wilde de moed niet verliezen, maar doorzetten. ‘Laat maar, ik red me wel.’ Met mijn mouw veegde ik mijn gezicht weer droog. Ik ging rechtop zitten en zuchtte diep om weer op adem te komen.

‘Ik ben blij dat we zo gesproken hebben,’ zei ik later opgelucht. ‘Ook dat miste ik enorm in onze relatie!’ ‘Dan moeten we dat toch veel vaker doen,’ opperde hij. En het leek alsof hij daardoor toch nog een sprankeltje hoop had terug gevonden.

32. Vraagtekens

‘Ik wil met jullie teruggaan naar het moment waarop het misbruik aan het licht kwam,’ stelde de therapeut voorzichtig voor. We zaten in het kleine kamertje. Met z’n drieën, schuin tegenover elkaar en vormden zo een gespreks-driehoek. ‘We beginnen bij jou,’ zei ze, met een knikje mijn richting uit. Ik haalde diep adem. Het woord ‘misbruik’ was al afschuwelijk om te horen. Laat staan om erover te praten.

Ik dacht diep na om woorden te geven aan dat verschrikkelijke moment dat mijn dochter het vertelde: ‘Het was alsof er een koude hand om mijn hart werd gelegd. Alsof mijn keel werd samengeknepen. Maar tegelijk kon ik het ook niet geloven,’ zuchtte ik. ‘Toen het tot me doordrong was het alsof de hele basis, alles waar we op hadden gebouwd, werd weggeslagen. Onder mijn voeten werd plat-gebombardeerd. En ik op de ruïne’s moest leren verder te leven.’

Het was niet de eerste keer dat ik zo’n ervaring had. In mijn eerste huwelijk was ik daar al vaker tegenaan gelopen. Telkens, als ik er weer achter kwam dat de vader van de oudste meisjes helemaal niet zo’n nette jongen bleek te zijn, als ik had vermoed. ‘Ik was misschien inmiddels gewend om door te gaan. Na elke klap die ik te verwerken kreeg, in het verleden, krabbelde ik ook weer op. Strompelde verder. Roeide ik door, met dat wat ik nog over had van de riemen. Zo voelde het toen ook!’

Ik keek opzij en peilde zijn reactie. Ik zag dat zijn ogen rood waren, maar er waren geen tranen. Zwijgend zat hij daar en ik ging verder: ‘Toen bleek ik ook nog eens zwanger! Dat was de druppel. Ik overzag het niet meer. Wist niet meer hoe ik alleen verder moest gaan.’ Ik vertelde over de onmacht die ik voelde. De pijn. Maar ook de onzekerheid over de keuze die ik toen had gemaakt.

‘Hoe is dat voor jou om te horen?’ vroeg de therapeut aan de man rechts van mij. Hij keek verschrikt op. ‘Rot!’ klonk het schuldbewust.

‘De enige reden dat ik nu nog bij je ben, is voor onze kinderen,’ ging ik verder:’En omdat we het fatsoen hebben om normaal met elkaar om te gaan.’ Hij knikte langzaam en mompelde: ‘Dat snap ik.’

‘Voor mij kwam het misbruik als donderslag bij heldere hemel,’ legde ik uit: ‘We hadden het toch goed samen? Ik was dankbaar dat ik je was tegengekomen. Blij dat ik ook eens mocht meemaken wat het is om ‘gelukkig-getrouwd’ te zijn. Ik voelde me een team met je. Samen-één. Maar dat is nu helemaal weg.’

‘Maar hoe kwam het dan tòch zover?’ vroeg de therapeut, met haar blik op hem gericht. Ik zag hoe hij aarzelde. Wiebelde op zijn stoel. Hoe hij de vloerbedekking bestudeerde en toen weer naar mij keek. ‘Ervoer jij jullie huwelijk ook zo, zoals zij het omschreef?’ moedigde de therapeut hem aan om toch wat te zeggen. Ik hield mijn ogen op hem gericht. Keek hem verwachtingsvol aan. Hij zou dit toch ook beamen? Zeggen dat hij er hetzelfde instond als ik.

‘Nee,’ kwam er na lange tijd uit. ‘Nee, ons huwelijk was toen even wat minder.’ Verward keek ik van de één naar de ander. Ik begreep er niets van. Wilde schreeuwen: ‘Hoe kan dat nou?!’ Maar dat was niet volgens de instructies. Ik zou moeten luisteren. Stil zijn. Geduldig wachten op wat komen ging. Ik beet op mijn lip.

‘Nee,’ begon hij zijn relaas: ‘Ik had het idee dat ze me toch niet vertrouwde. Dacht eigenlijk dat het kwam door haar vorige huwelijk. Daarin was ze natuurlijk al behoorlijk beschadigd. En nu merkte ik het ook. Ze stelde me veel vragen. Wilde alles van me weten. Over mijn verleden. Over de tijd dat ik haar nog niet kende,’ hoorde ik hem uitleggen.

Waarom heeft hij me dat nooit gezegd? Dat hij het zo interpreteerde? Dat hij het zag als een kruisverhoor, in plaats van interesse? ‘We hadden toch afgesproken dat we open en eerlijk naar elkaar zouden zijn?!’ interrumpeerde ik hem nu: ‘Dat we alles tegen elkaar zouden zeggen? Dat we geen geheimen voor elkaar zouden hebben? Ja toch?’ Ik kon het niet laten hem doordringend aan te kijken: ‘Voor mij was dat een stukje investeren. Investeren in onze relatie. Omdat we dat zo hadden afgesproken en ik zuinig wilde zijn op wat we hadden. Maar dat is nu ver te zoeken. Ik stel geen vragen meer, omdat het me niets meer kan schelen! Al zou je vreemdgaan. Zolang je maar van mijn kinderen afblijft!’ gooide ik er in een keer uit.

‘Zoo’, was alles wat hij zei. Het klonk ietwat geschrokken en even zette hij grote ogen op. Verder niet. Het bleef ineens doodstil.

In die stilte bedacht ik me, dat hij misschien wel ‘verliefd’ was geweest op mijn dochter. Omdat de relatie met mij, volgens hem, even ‘wat minder’ ging. Zou dat het zijn geweest? Was dat dan de oorzaak? De reden om te doen wat nooit had mogen gebeuren? En hoe was dat dan nu? Nu onze relatie op zo’n laag pitje was komen te staan, dat ons huwelijk alleen nog maar was gebaseerd op het gezamenlijk hebben van twee kleine meisjes?

‘Mensen, het is al kwart over acht. Tijd om af te ronden,’ onderbrak de therapeut de stilte: ‘Er hangt nog een groot vraagteken in de lucht. Maar dat laten we maar even zo. Over twee weken zullen we het weer oppakken.’ Ik knikte gedwee. Het was een groot, onopgelost, vraagteken, ja. Dat hing er en zou er voorlopig blijven.

En eigenlijk was het er al jaren. Maar inmiddels was het nog veel groter dan voorheen.