Vergeten

Het is één uur ’s nachts. Ik kan niet slapen. Zachtjes ben ik het bed uit gekropen. Jouw wekker staat op vier uur. Misschien vijf uur. Ik weet het niet. Maar ik weet wel dat je ligt te snurken en ik je niet wakker durf te maken.

Je ligt te snurken! Terwijl het in ons leven stormt. Terwijl alles op de klippen dreigt te lopen. Ons huwelijk op springen staat. Een financiële afgrond ons aanstaart. En jij slaapt.

Ik zou zo graag met je willen praten. Zoeken naar oplossingen, die er misschien helemaal niet zijn. Ik zou mijn zorgen willen delen. Je mijn pijn en angst willen laten zien. Maar je weigert te kijken. Zegt dat het nu niet kan. Dat je je moet concentreren op andere zaken. En je slaapt. Je slaapt overal doorheen.

Ik zou me willen bezatten. Zoveel wijn willen drinken, tot de slaap me overmant. Tot ik verdrink in vergetelheid. Tot ik niet meer weet wat voor een drama zich over ons leven voltrekt.

Ik wil vergeten. Niet meer voelen. Maar het lukt me niet.

Advertenties

33. Praten

‘Ik wil praten,’ fluisterde ik zo hard mogelijk: ‘Niet later, maar nu!’ Het was zaterdagochtend. Uitslaap-ochtend. Maar ik stond, al aangekleed, voor het grote bed en keek hem recht aan. Langzaam hief hij zijn hoofd van het kussen: ‘Hoezo?’ Ik rolde met mijn ogen en betrapte mezelf erop met opgeheven vinger te staan. Alsof ik een zoon toesprak. Snel zette ik mijn hand in mijn zij. ‘Ik ben het zat om alleen maar te praten, als we bij de therapeut zijn. Dat moet nu toch ook gewoon lukken?!’

Eigenlijk is het best lastig. We leven alle dagen met de kids om ons heen. Zijn druk met werken en de boel coördineren. Er is zelden ruimte voor een persoonlijk gesprek. De oudsten liggen laat op bed en de jongsten halen ons zelfs ’s nachts uit onze slaap. Daarbij wil ik de meiden niet onnodig belasten met de spanningen die er tussen ons zijn. Dus worden diepgaande gesprekken vaak vermeden, zodat de sfeer in huis ontspannen blijft.

‘Ik wil gewoon dat je nú mee naar beneden komt.’ De kinderen waren nog stil. Lagen nog te slapen. Deze kans wilde ik benutten. ‘Hou op, joh! Ga gewoon weg!’ was zijn antwoord. Hij liet zijn hoofd weer zakken en draaide zich om. Even voelde ik me uit het veld geslagen. Was ik verbijsterd. Maar toen rechtte ik mijn rug en besloot door te zetten. Het was toch van de zotten dat we thuis deden of er niets aan de hand was, terwijl bij de therapeut ons leven op de kop stond.

Ik legde mijn hand op zijn schouder. ‘Nu!’, herhaalde ik zachtjes, maar dwingend. Hij schudde mijn hand van zich af: ‘Rot gewoon op!’ hoorde ik hem zeggen. Maar zo makkelijk kwam hij niet van me af. Het werd tijd dat hij ook de noodzaak van praten inzag. ‘Weet je, als je nu niet meekomt om te praten, dan mag jíj vertrekken. Oprotten, zoals jij het noemt!’ Het was lastig mijn stem niet te verheffen. ‘Ga zelf lekker weg!’ mompelde hij nog. Maar ik zag dat ik zijn aandacht had getrokken. Langzaam kwam hij overeind. ‘Als we zelfs niet meer kunnen praten, wil ik je nu vragen je tassen te pakken, het huis te verlaten en nooit meer terug te komen!’ siste ik. Toen sloeg hij het dekbed opzij: ‘Oke, waar wil je het over hebben dan?’

Samen liepen we de trap af. Hij nestelde zich op de bank. Zijn benen opgetrokken. Hij had iets weg van een bange hond . Maar ik voelde me geen baas of winnaar. Nog altijd was ik de verliezer. Want dat het zover tussen ons gekomen was, had ik nooit gewild.

‘Ik zie geen meerwaarde meer in het samen-zijn,’ begon ik rustig mijn relaas. ‘Na alles wat er gebeurd is. Na het gesprek bij de therapeut. Ik zie er geen heil meer in. Ik mis de motivatie om mijn schouders er nog onder te zetten. Na wat jij mijn dochter hebt aangedaan, is alles omlijnt door een zwart randje. Hangt er altijd een donkere wolk boven ons bestaan.’Ik wees hem op de afstand die er tussen ons was ontstaan. Zijn lastige positie die hij binnen het gezin had verworven. Maar ook de financiële schulden, die ik door hem had gekregen. En zelfs de zooi in- en rondom het huis, die ik dagelijks van hem tegenkwam. ‘Ik zie alleen nog maar voordelen in een scheiding. Dat zou alles oplossen,’ zei ik tenslotte.

‘En onze meisjes dan?’ vroeg hij timide. Daar had ik al zo vaak over nagedacht. Voor hen wilde ik nog samen doorgaan. Maar als dat niet zou gaan, dan moesten zij er zo min mogelijk onder lijden. ‘Als wij goede afspraken maken, komt het met hen ook wel goed,’ zei ik heldhaftig. Ik had het ze zo graag willen besparen. Twee apart wonende ouders.

‘Ik wil ze dan wel de helft van de tijd. Co-ouderschap, of zoiets,’ gaf hij te kennen. Dat was heel wat anders dan hoe het nu met de oudste meiden ging. Die zagen hun vader nooit. Werden door hem totaal genegeerd. Hoe anders zou het zijn voor de jongste meisjes. Een goede oplossing. Maar ook een lastige. Het zou betekenen dat ik de meisjes de helft van de tijd zou moeten missen. Dat ik er niet altijd zal zijn, als zij mijn naam zullen roepen. Die gedachte deed pijn. Ik voelde mijn ogen branden. Een traan ontsnapte over mijn wang. Mijn mondhoek trilde.

‘Kom maar!’ zei hij en kwam naast me zitten: ‘Je hoeft je niet groot te houden!’ Hij legde een arm om me heen. Ik verstijfde. Wilde de moed niet verliezen, maar doorzetten. ‘Laat maar, ik red me wel.’ Met mijn mouw veegde ik mijn gezicht weer droog. Ik ging rechtop zitten en zuchtte diep om weer op adem te komen.

‘Ik ben blij dat we zo gesproken hebben,’ zei ik later opgelucht. ‘Ook dat miste ik enorm in onze relatie!’ ‘Dan moeten we dat toch veel vaker doen,’ opperde hij. En het leek alsof hij daardoor toch nog een sprankeltje hoop had terug gevonden.

31. Een afspraakje

Wat voelde ik me verloren, die eerste weken in de zusterflat. Als zeventien-jarige werd ik ineens in het diepe gegooid. Ik moest mijn eigen potje koken, zelf de afwas doen, mijn kleding eigenhandig wassen en mijn kamer netjes houden. Dat viel niet mee.

Ook maakte ik kennis met allerlei nieuwe mensen. Mijn gang- en studiegenoten. Sommigen waren net begonnen, net als ik. Anderen waren al doorgewinterde kamer-bewoners. Zij maakten me wegwijs in dit onbekende bestaan. 

Het was flink wennen. Ik voelde me soms vergeten. Alleen op mijn kamertje. Alsof ik er netjes opgeborgen zat en er niemand was die zich nog over me bekommerde. Tot op die avond. Ergens, in die eerste weken. Toen de telefoon ging..

Het was nog zo’n groot, grijs apparaat. Met draaischijf. De enige die onze gang rijk was. Hangend in het midden van de lange hal, waaraan alle kamerdeuren grensden. Het schelle geluid was overal hoorbaar. Maar daar raakte ik al snel aan gewend. Meestal waren het de meiden van de oudere garde die hem dan opnamen. Zij kenden degenen die hier woonden het best. Zij wisten wie ze roepen moesten, als er voor iemand werd gebeld. Dat was, tot nu toe, nog nooit voor mij geweest.

Maar dit keer werd er op mijn deur geklopt: ‘Telefoon voor jou!’ Ik opende snel mijn deur. Bedankte haastig de boodschapper en rende naar de hoorn die inmiddels, bengelend aan het gekrulde snoer, bijna de grond raakte. Vlug nam ik het ding ter hand en verwachte mijn moeders stem aan de andere kant van de lijn. 

‘Ja, hallo?’ zei ik bijna buiten adem.‘Hoi! Ken je me nog?’ hoorde ik een diepe, warme stem zeggen. Hij noemde zijn naam en ik begreep direct om wie het ging. Het was de jongen die ik op het examenfeest van mijn vriendin had ontmoet! ‘Ja, natuurlijk! Wat leuk dat je belt,’ zei ik enthousiast. Ik hoopte dat ik niet al te wanhopig over zou komen. ‘Zou je het leuk vinden als ik van de week nog bij je langskom?’ vroeg hij. Mijn hart sloeg over. Hij hield zich dus aan zijn belofte!  ‘Ja, best!’ probeerde ik rustig te blijven. Maar ik kon wel dansen van plezier. 

De afgesproken avond deed ik extra mijn best er goed uit te zien. Mijn lange haar getoupeerd. Flinke laag haarlak eroverheen. Een beetje mascara en wat oogpotlood. Toen ik eindelijk tevreden was, zette ik mijn deur op een kier en nestelde me op èèn van de twee stoelen die mijn kamertje rijk was. Ik spitste mijn oren in de hoop dat ik hem zou horen, zodra hij onze verdieping had bereikt.

Nog voor de afgesproken tijd was daar het krakende geluid van de deur naar het trappenhuis. Voetstappen op de gang, die steeds dichterbij leken te komen. Geroezemoes van een mannenstem die mijn naam noemde. En toen vastere stappen richting mijn deur. Vluchtig kneedde ik mijn lok. Nam snel de juiste houding aan en bleef zo zitten. Het moest lijken alsof zijn komst me overrompelde.

Er volgde een kort klopje. ‘Binnen!’ riep ik automatisch. De deur werd langzaam opengeduwd. En daar stond hij. In de deuropening. Lang, breed en zijn krullen goed gekapt langs zijn hoofd. ‘Hoi’, zei hij nonchalant. ‘Ha! Kom verder!’ deed ik kalm, terwijl ik mijn hart in mijn keel voelde bonken. 

Die avond nam hij me mee om wat te drinken in de stad. Onder het genot van Pisang-Ambon met jus d’orange, praatten we honderduit. Ik had geen notie van de omgeving. Was alleen maar bezig met wat hij van me vond en waarom hij eigenlijk gekomen was. Stilletjes vroeg ik me af of hij mij net zo leuk vond als ik hem.

Laat in de avond liepen we terug naar de auto. De auto van zijn broer, die hij speciaal voor deze gelegenheid had mogen lenen. Hij zou me terugbrengen naar mijn kamer. Me daar weer afzetten. Me alleen achterlaten. En dan? Zou er nog een volgende afspraak komen?

Ik voelde hoe hij voorzichtig een arm om mijn schouder legde. Ik keek even naar hem opzij en glimlachte. Het stelde niets voor, maakte ik mezelf wijs. Dit deed hij misschien wel vaker bij meisjes die hij aardig vond.

Bij de auto aangekomen, keerde hij zijn rug naar het portier. Langzaam liet hij zijn lichaam achterover leunen, tot hij steun vond tegen de auto. Toen strekte hij beide handen naar mij uit en omklemde mijn polsen. Ik deed een stap dichterbij en zag de glinstering in zijn ogen. Ik voelde hoe hij me zacht naar zich toe trok, tot mijn lichaam het zijne raakte. Ik legde mijn hoofd tegen zijn schouder en voelde hoe zijn hand liefdevol door mijn haren gleed.

‘Als je eens wist hoelang ik hierop heb gewacht?!’ fluisterde hij. Ik hief mijn hoofd naar hem op en beantwoorde de intense zoen die hij gaf. Daarna glimlachte ik: ‘Word jij dan de vader van mijn toekomstige kinderen?’

What’s in a name

Safealove. Oftewel Safea Love. Door sommigen ook wel opgemerkt als Safe-a-love. Het schept blijkbaar nogal wat verwarring. Daarom een blogje aan mijn pseudoniem gewijd.

Lange tijd zat ik te dubben. Het leek me heerlijk om mijn verhaal te doen, zonder erbij na te hoeven denken wat ik wel en niet kwijt kon. Er was inmiddels een groot geheim in ons leven geslopen, waar ik het liefst in alle openheid over wilde praten.

Al jaren schrijf ik een dagboek. Ik heb al ontelbare woorden toevertrouwd aan levenloos papier. Het hielp me gebeurtenissen te verwerken of chaos in mijn hoofd weer op een rijtje te krijgen. Maar ik miste de feedback. Dat wilde ik ook graag eens horen.

Dus bloggen leek me een goede oplossing. Onder gefingeerde naam.

Ik ging op zoek naar iets wat bij mij paste. Bij mij, of bij de geschiedenis die ik droeg. Zo kwam ik bij ‘Safea’, wat ‘reine’ of ‘onschuldige’ betekent.

Niet dat ik mezelf zo’n rein of onschuldig iemand vind. Maar ik hecht er wel veel waarde aan. Helemaal wat de liefde betreft. Dus mijn zogenaamde achternaam werd ‘Love.’ Reine of onschuldige liefde dus..

Toen ik, onbewust, de twee namen achter elkaar zette, ontstond daar Safealove. In eerste instantie zei het me weinig. Gewoon een samengevoegd geheel, meer niet.

Tot ik ineens zag dat er tevens Safe-a-Love was komen te staan. Ook sommige lezers merkten dat op in hun reacties. Wat bijzonder! Toepasselijker kon toch eigenlijk niet?! Er was heel wat liefde te redden. Liefde waar ik zuinig op wilde zijn. Met name de liefde voor mijn kinderen, na alle tegenslagen die we te verwerken hadden gekregen.

Safe-a-Love! Redt de Liefde! Het zou een lijfspreuk kunnen zijn. Want liefde is zo groots, zo mooi. Liefde zou zoveel aan ellende op kunnen lossen. Was er maar meer van in deze wereld!

‘De liefde is geduldig, de liefde is vriendelijk, de liefde is niet jaloers. Zij doet niet gewichtig en is niet trots, zij kwetst niet, is niet egoïstisch en voelt zich nooit beledigd, zij neemt niemand iets kwalijk, zij is niet blij met onrecht, maar juist met de waarheid. De liefde beschermt altijd, heeft altijd vertrouwen. Aan de liefde komt nooit een einde.’

28. Examenfeestje

‘Ga je mee naar het examenfeest van onze klas?’ vroeg mijn vriendin. ‘Gaaf!’ was ik meteen enthousiast. We waren nog jong en onbezorgd. Vooral nu we beiden waren geslaagd. We hadden ons diploma behaald. Examenfeestjes waren schering en inslag dat jaar. En de toekomst lachte ons toe.

‘Het gaat echt leuk worden!’ vertelde ze uitgelaten: ‘Ze hebben een grote loods geregeld. Er komen heel veel gasten!’

Ondanks dat we niet bij elkaar op school hadden gezeten, kende ik al aardig wat van haar klasgenoten. Ik had ze ontmoet op andere feestjes. Verjaardagen en ontmoetingen waar mijn vriendin me ook al mee naartoe had genomen.

‘Komt die ene gozer dan ook?’ vroeg ik voorzichtig: ‘Je weet wel, die ene waarbij ik eens achterop de fiets heb gezeten?!’ ‘Zover als ik weet komt iedereen uit de klas. Dus hij zal er vast ook bij zijn,’ verzekerde ze me. Dit feest mocht ik niet missen dus!

Het was een hele reis. Met de bus en de trein. Gelukkig kon iedereen er blijven slapen, anders was het vast de moeite niet. 

Op de drempel van de loods zag ik dat het behoorlijk groots was aangepakt. Werkelijk groots! Even bleef ik staan om het geheel in me op te nemen. Allemaal jongelui. Luidruchtig en uitbundig. Overstemd door muziek van toen. En ergens langs de zijkant stond een grote tafel met drank. Heel veel drank.

Het was voor het eerst dat ik op zo’n spektakel was. Ik was niet zo’n uitgaander. Maar dit zag er werkelijk fantastisch uit. Mijn vriendin trok me mee de menigte in en stelde me aan diverse mensen voor. Ondertussen zocht ik naar die jongen. Die ene, die ik nu eindelijk beter wilde leren kennen.

Algauw had ik hem gevonden. Sjansend met een mooie brunette. Toen ik langs liep, begroette hij me enthousiast en ging weer verder met het versieren van de ander. En zo zag ik hem die avond de hele zaal rondgaan. Elke keer weer flemend bij een andere schoonheid. ‘Niks voor mij, zo’n charmeur,’ besloot ik direct.

Ik had mijn draai algauw gevonden. Vermaakte me uitstekend. Deed een dansje, maakte hier en daar een praatje en dronk een glaasje. 

Tot er ineens een lange jongeman voor me kwam staan. Hij stak galant zijn hand naar me uit: ‘Hoi, met wie heb ik het genoegen?’ vroeg hij en keek me doordringend aan. Ik zocht naar de juiste houding en noemde toen mijn naam. ‘Ah, je vriendin heeft me al veel over je verteld!’ zei hij toen. ‘Oh?’ wist ik uit te stoten: ‘Wat dan?’ Hij lachte en wuifde nonchalant zijn opmerking weg. Toen stelde hij voor om buiten verder te praten. ‘Alleen práten dan, he?!’ waarschuwde ik hem gekscherend. Hij knikte. ‘Tuurlijk!’ zei hij oprecht. Ik bloosde en schaamde me meteen voor mijn achterdochtige uitspraak.

Buiten vroeg hij me vanalles. Waar ik vandaan kwam. Welke opleiding ik volgde en wat ik wilde gaan doen. Hij leek serieus geïnteresseerd. Ik vertelde hem dat ik de opleiding voor verpleegster zou gaan volgen en binnenkort ging verhuizen naar een zusterflat. ‘Wat leuk!’ zei hij: ‘Dan kan ik je daar wel eens op komen zoeken!’ ‘Prima!’ deed ik quasi laconiek. Er waren inmiddels al zoveel mensen die dat hadden aangeboden. Ik moest eerst nog maar eens zien wie zich daaraan zou houden.

Na een tijdje liepen we weer terug naar het feest en zocht ik mijn vriendin weer op. Pas heel laat op de avond deden hij en ik nog een dansje. Daarna verloren we elkaar uit het oog. En zo zouden we elkaar ook weer uit het hart verliezen, verwachtte ik..

27. Vergeven

Het was geen nieuws. De naam van mijn vroegere liefde was een begrip geworden. Iedereen kende zijn naam en wist van onze geschiedenis.

De meisjes vonden het spannend als ik over hem vertelde. Vonden het ook wel ‘zielig’ dat we zo uit elkaar waren gehaald. Waren enorm nieuwsgierig naar hoe hij er nú uit zou zien. Maar het leek als een ‘vorig leven’. De liefde van toen had geen plaats meer in ons bestaan van vandaag.

Hoe vaak heb ik niet geroepen dat ‘ze’ me nooit bij hem weg hadden mogen halen. Dat het niet eerlijk was. Dat ze hadden gelogen, toen mij werd gezegd dat ik na hem een veel betere man zou treffen.

Zelfs mijn ouders heb ik er mee geconfronteerd, net na mijn scheiding van de vader van de oudste twee. ‘Was dit hem nou, die betere man?!’ daagde ik hen uit: ‘Ik durf te wedden dat ik het veel beter zou hebben gehad, als ik nog bij mijn jeugdliefde was gebleven.’ Mijn moeder kroop dan in haar schulp. Schuldbewust, leek het wel. Mijn vader hield zich stil. Vertoonde geen enkele emotie.

Totdat hij ziek werd. Ernstig ziek. Ik zie hem nog zitten. Tegenover me, op zijn hoge stoel. In zijn pyjama. Een bleek gezicht. Zijn grauwe handen op zijn schoot gevouwen. Ik zag hoe broos hij was geworden. Maar we hadden het goed samen. Nog nooit hadden we zoveel gedeeld met elkaar.

Die middag praatten we over de vader van mijn twee meisjes. Zijn gedrag was weer eens onuitstaanbaar. Wilde niets en nergens aan mee werken. Alleen maar dwars zitten. Het frustreerde mijn vader dat hij hier geen verandering in aan kon brengen.

En toen -ineens- kwam zijn opmerking. Zomaar tussendoor: ‘Ik heb nog altijd spijt dat ik je destijds..’ Meteen hing ik aan zijn lippen. Hield mijn ogen strak op zijn mond gericht. Ik wilde niets van deze zin missen. Hij zou het eindelijk gaan zeggen!

‘Je moet nu echt even gaan rusten, hoor!’ gebood mijn moeder er zomaar tussendoor. Mijn vader keek verstoord naar haar op en haalde zijn schouders op. Daarna keek hij mij weer aan, maar leek de draad kwijt te zijn.

‘Kom op, pa! Zeg het!’ wilde ik gillen. Het liefst had ik hem bij beide schouders gepakt. Maar in plaats daarvan staarde ik hem nog altijd zwijgend aan en zat ik als verstijft op mijn stoel. Wachtend… op niets.

Langzaam verslapten mijn schouders. Ik boog mijn hoofd en volgde stilletjes hoe mijn vader richting zijn bed werd geholpen. Diep teleurgesteld bleef ik achter. Mijn moeder had zomaar de meest belangrijke zin in mijn leven bruut afgebroken!

Niet lang daarna stierf mijn vader. Nooit had hij de kans meer om zijn zin nog af te maken. Maar ik had genoeg aan de helft ervan. In mijn hoofd had ik allang aangevuld wat hij wilde gaan zeggen. ‘Ik heb nog altijd spijt dat ik je destijds.. bij je grote liefde heb weggehouden!’ Dat was het! Dat wilde hij zeggen. Dat was alles, maar voor mij van zo’n ongelooflijk grote betekenis.

Eindelijk kon ik mijn ouders vergeven. Zij konden ook niet weten hoe mijn leven erna eruit zou zien. Ze hadden vast het beste met me voor gehad. En papa had nu spijt. Spijt van deze grote fout.

Bedankt, pa. Ik vergeef het wel.

 

26. Bericht

Ik tuurde naar de letters op het scherm van mijn telefoon: ‘Ha, meidje, hoe gaat het? Al zo’n tijd niets van je gehoord! Ik kan wel merken dat ik meer aan jou denk dan jij aan mij..’ Ik zuchtte diep en voelde me schuldig. Toen kwam de volgende regel binnen: ‘Nou ja, het zal wel een goed teken zijn. Ik ben blij dat je weer gelukkig bent!’ De afzender deed mijn hart direct sneller kloppen.

Mijn grote liefde van vroeger!

Hij bleek mijn nummer nog te hebben. Ja, en ik had het zijne ook bewaard. Ooit had ik het gewist, omdat ik dacht het nooit meer nodig te hebben. En stiekem wist ik dat het ook in mijn hoofd lag opgeslagen. Maar toen de tijd verstreek werd ik bang het daar te verliezen. En zette ik het weer terug tussen mijn contacten.

En nu was daar ineens dat bericht. Terwijl ik op de puinhopen van het leven zat. Terwijl ik dagelijks liep te piekeren over hoe het nu verder moest en nachten wakker lag over de ellende dat dit huwelijk me had gebracht. Terwijl ik enorm spijt had dat ik toch weer getrouwd was, dacht hij dat ik gelukkig was. Dat ik hem vergeten was. Nooit meer aan hem dacht. Oh, was het maar zo!

Ooit had ik gedacht hem voorgoed achter me te kunnen laten. Hoopte ik dat hij zou vervagen tot enkel een mooie herinnering. Maar nu was hij weer daar. Hij had aan me gedacht. Had de moeite genomen om me toch nog een bericht te sturen. Hij was er nog en nam meteen weer plaats in mijn hart.

Wat moest ik doen? Hem terug berichten? Zeggen dat het goed met me ging? Vertellen dat ik inmiddels gezegend was met nog twee kleine meisjes? Hem doen geloven dat hij gelijk had? Nee, dit was mijn kans om eens eerlijk te zijn. Om de schone schijn eens níet te hoeven ophouden, maar te kunnen práten. Tenminste.. als hij daar open voor zou staan.

Ik besloot het er op te wagen: ‘Inderdaad een tijd geleden. Maar vergeten ben ik je nooit, hoor! Ik hoop in elk geval dat jij gelukkiger bent dan ik..’

23. Verliefd

We waren beiden niet van plan om verliefd te worden. Zijn relatie was nog niet zo lang voorbij. En ik moest er niet aan denken me weer te binden aan een man. Tot nu toe had dat me niet veel goeds opgeleverd.

Toch vond ik het prettig om af en toe mijn verhaal kwijt te kunnen. Dan mailde ik hem. Met een beetje geluk kreeg ik de volgende dag alweer antwoord. Dat was best fijn. Want ik had verder geen tijd voor het sociale gebeuren. ’s Avonds moest ik thuis zijn bij de kids. En overdag moest er gewerkt worden. Was het niet voor mijn werkgever, dan was het wel in huis.

Op een dag stapten we over op MSN. Dan sprong ik achter de computer, zodra de meisjes op bed lagen. Soms duurde het even voor hij online kwam. Maar zodra hij er was, was hij één en al oor. Uren zaten we zo te babbelen. Ik deelde wat ik meemaakte met de kids. Grappige gebeurtenissen. Maar ook de drama’s uit het verleden. En hij luisterde. Gaf op z’n tijd een passende opmerking of een wijs advies.

En zo werd het een vanzelfsprekendheid. Een moment waar ik naar uitkeek. Als hij niet online kwam, miste ik hem. Stuurde ik hem een mail. Gewoon om mijn dag toch met hem te delen.

Op een dag wilde hij me ontmoeten. Niet meer via de computer, maar in het echt. We spraken af om een wandeling op de heide te maken. Op een tijd dat de meisjes nog op school zaten.

Die dag had het enorm gesneeuwd. Maar ik dacht er niet aan om de afspraak af te zeggen. Ondanks het weeralarm reed ik richting de afgesproken plek. Daar stond hij al op me te wachten. 

Eigenlijk heb ik niets met sneeuw en kou. Blijf ik het liefst binnen zitten met de verwarming hoog. Maar deze dag had ik het niet koud. We liepen over de heide. Door de sneeuw waren de paden onzichtbaar geworden. We kozen ons eigen pad. Dwars door alles heen.

We hadden enorm veel lol. We gooiden sneeuwballen en zeepten elkaar in met sneeuw. Ik voelde me weer jong en zorgeloos. Kon even alles vergeten wat er was gebeurd.Ik voelde me verliefd. Verliefd op dit fijne. Dit onbezorgde. Misschien zelfs wel op hem.

Algauw maakte hij kennis met de meisjes. Wat was hij begripvol, toen ze niet meteen enthousiast reageerden. ‘Ik begrijp dat het even vreemd voor jullie is. Maar ik beloof goed voor jullie moeder te zorgen.’ En dat stelde hen gerust. Stukje bij beetje leerden zij elkaar beter kennen. Was hij steeds vaker bij ons. En werd het normaal. Hij begon bij ons te horen en wij bij hem. 

Toen ik zwanger van hem bleek te zijn, was het wel even slikken. Hoe zouden de meisjes het vinden? Ik stelde het zo lang mogelijk uit om het hen te vertellen. Maar uiteindelijk moest het er toch van komen. 

We riepen de meisjes bij ons. ‘Mama verwacht een kindje,’ vertelde ik hen. Even was het stil. Daarna porde de oudste de jongste in de zij en riep: ‘Zie je nou wel! Ik zei het toch!’ Ze hadden al zo’n vermoeden. Dat maakte het een stuk makkelijker.

We besloten te trouwen. Ik vond het nog best eng. Maar het leek ons het beste voor de kids. Zo wisten ze waar ze aan toe waren. Dat het niet zomaar iets was.

Het werd een bescheiden bruiloft. We trouwden op een dag dat het kosteloos was op het gemeentehuis. Toen ik mijn ‘ja-woord’ gaf, voelde ik me blij en gelukkig. We waren weer compleet. Er was zelfs nieuw leven op komst. Een nieuwe mooie toekomst, met een liefdevolle man aan mijn zij. 

A dream come true?

Confronterend

Ik loop met mijn ziel onder mijn arm. Met wie zal ik nu kunnen praten? Ik wil graag even mijn verhaal kwijt, nadat ik net weer met de man van Slachtofferhulp heb gebeld. Het was een verhelderend gesprek. Ik had er echt wel wat aan. Samen de rechtszaak doorgesproken. De strafeis van de rechter.. Maar het is ook steeds weer zo confronterend. Op zo’n moment kan ik er echt niet meer om heen.

Er zijn weinig mensen die er van af weten. Het is ook niet makkelijk, zo’n onderwerp. Als je bus is gestolen, kan je daar met iedereen uitgebreid over brainstormen. Maar een zedendelict.. dat is toch wel even iets anders!

Volgende week is de uitspraak. Daar zal ik bij zijn, met mijn dochter. Het komt nu wel erg dichtbij. Ik heb mijn werk voor die dag al af kunnen zeggen. De oppas is ook geregeld. Mijn moeder zal die dag de kleintjes nemen. Mijn moeder. Natuurlijk! Ik zou best háár even kunnen bellen om mijn verhaal te doen.

Ik draai haar nummer. Het duurt een tijdje voor ze opneemt. Even ben ik bang dat ze al aan het avondeten zit. Maar dan neemt ze toch op.

‘Hoi ma! Met mij.’ Ik weet even niet hoe ik beginnen moet. Zal ik meteen zeggen dat ik met Slachtofferhulp heb gesproken? Hoe we alles hebben doorgesproken, ook vast voor volgende week. Hoe moeilijk ik het vind om er steeds weer mee geconfronteerd te worden. Maar ook gerechtigheid wil.

‘Ha! Waarvoor bel je?’ hoor ik aan de andere kant van de lijn. Ik besluit het gesprek langzaam die kant op te buigen: ‘Kunt u volgende week nog oppassen? U weet wel, wanneer we naar de rechtbank moeten voor de uitspraak..’ ‘Ja. Daar heb ik toch op gerekend?!’ zegt ze meteen.’Ja, nou ja, ik dacht misschien…’

‘Oh, moet je luisteren!’ onderbreekt ze me direct. Dan vertelt ze over de fysiotherapeut waar ze wekelijks een afspraak heeft. ‘Ik heb nu al twee keer gelopen.. je weet wel, met die stokken.. en het gaat best goed.. vandaag een dagje rustig aan gedaan.. Ik moet nu ook aan de Diclofenac.. Moet ik daar ook die maagbeschermers bij gebruiken? Ja, jij kan het weten.. Jij bent natuurlijk zuster!’ Een lach galmt door de telefoon.

Ik heb de mood niet om mee te lachen. ‘Tja..,’ laat ik klinken.

‘Ja, moet je weten.. je zwager moest natuurlijk ook naar de dokter. Hij is natuurlijk veel te dik! Moet nu lijnen voor zijn gezondheid. Ach, je weet wel hoe dat gaat, he?!’ Weer een lach.

‘Ja,’ doe ik kort en prik wat in het vlees dat voor me staat te pruttelen.’Wat sta je te doen?’ toont ze eindelijk interesse. ‘Gewoon, eten koken. Maar ik eh…’

‘Oh ja, nou ik heb het eten ook opstaan, hoor! Vind je zeker wel goed van je moeder?! Vorige week had ik echt zo’n baalweek… slecht gegeten, enzo.. Maar nu heb ik aardappels geschild. Doe ik dan wat doperwtjes bij…’ ‘Ja, ma, maar…!’ doe ik nog een laatste poging.

‘Goed!’ zegt ze dan: ‘Ga maar gauw met het eten verder! Ik hoor je nog wel een keer. Fijne avond!’ ‘Oke, mam,’ ik probeer de teleurstelling niet door te laten klinken: ‘Doeg ma.’ Maar de verbinding is al verbroken. Ik zucht. Als zelfs mijn moeder al geen tijd voor me heeft..

Ik loop met mijn ziel onder de arm.

22. Problemen

‘Problemen met je computer? Nou, ik wil er best eens naar kijken, hoor!’ zei de handige ICT-er behulpzaam. Ik kende hem nauwelijks. Een vriend van vrienden. Maar ja, wat moest ik? Zelf had ik geen verstand van dat ding. Hij liep op onverklaarbare wijze steeds vast. Best lastig. Ik had eigenlijk wel even iemand nodig die het op kon lossen. En als dit aanbod dan toch werd gedaan..‘Oke, wanneer lukt dat jou?’

Een week later stond hij al bij me op de stoep. Een vreemde gewaarwording. Een man in mijn huis! Voor het eerst. Wat zouden de meisjes daarvan zeggen, als ze thuis zouden komen uit school?

Hij was zelf ook gescheiden, wist ik. Maar totaal geen partij voor mij. Wel ontzettend aardig. Misschien wel tè aardig. Mijn type dus niet.

Toch vreemd. Het leek of ik een hele andere positie in het leven had verworven. Alsof er ‘beschikbaar’ op mijn voorhoofd was komen te staan. En zo deelde ikzelf de mannen nu ook in.

Mannen die al getrouwd waren, waren geen optie. Die vermeed ik. Bij de mannen die geen vrouw hadden, maakte ik onderscheid tussen de ‘levenslange vrijgezel’, ‘de gescheiden man’ of de ‘weduwnaar’. Voor de laatste had ik niets anders dan respect. Maar hij wist waarschijnlijk veel beter dan ik wat een goed huwelijk was en hoe verschrikkelijk de dood. Terwijl ik vaak had gehoopt dat de mijne ook niet lang zou leven. We zouden elkaar dus nooit begrijpen.

De gescheiden man. Tja, wie kon me de oorzaak van de scheiding vertellen? Als ik het van hem zou horen, was dat maar één kant van het verhaal. Misschien was hij wel net zo’n tiran als de man met wie ik had geleefd. Of was hij iemand die snel de handdoek in de ring gooide. Niet de moeite nam om zijn huwelijk nog te redden.

Dan was er nog de eeuwige vrijgezel. De levensgenieter. De uitbuiter. Alles uit het leven halen, wat erin zit. Eindeloos veel geld gespaard. Mooie vakanties gevierd. Maar ook nooit rekening hoeven houden met de ander. Geen compromissen hoeven sluiten. Dus waarschijnlijk lastig om mee te leven.

Uiteindelijk was er dan nog die ene grote liefde van vroeger. De man die telkens weer in mijn gedachten opdook. De man voor wie ik ooit geboren leek te zijn. Die naast me hoorde te leven. Maar zijn ja-woord aan een ander had gegeven, omdat hij niet wist dat ik nog altijd aan hem dacht. Zou er iemand zijn die hem nog kon overtreffen?

‘Wil je koffie? Of wil je meteen naar de computer kijken?’ vroeg ik de ICT-er, toen hij op de bank had plaatsgenomen. ‘Je woont hier leuk!’ complimenteerde hij me. Een brede glimlach om zijn mond. Hij leek geen haast te hebben. ‘Ik zal koffie zetten!’ besloot ik gauw en vloog de keuken in. Waar was ik aan begonnen?! Ik wilde geen man in mijn huis! Dit voelde zo vreemd. Ik wilde nóóit meer een man! Er zou niemand meer bij me passen. En meneer de ICT-er moest ook maar zo snel mogelijk weer verdwenen zijn.

Zodra ik de koffiekopjes op de salontafel had gezet, zette ik de pc aan. Dit moest zo snel mogelijk geregeld worden. Ik zag hem ongeïnteresseerd naar het beeldscherm staren. Alsof hij helemaal geen zin had om er iets aan te doen. Even later tikte hij wat op de toetsen, zuchtte en steunde. ‘Dit kan lang gaan duren,’ waarschuwde hij me. Nee!

Ik gooide ik het over een andere boeg. ‘Weet je, laat gewoon maar zitten,’ deed ik bereidwillig: ‘jij zal zelf ook je bezigheden wel hebben.’ ‘Nee, hoor, dat valt mee!’ onderbrak hij me. Hij gooide zijn rug tegen de leuning, zijn armen achter zijn hoofd. Hij had de tijd. Pfft.. Ik moest snel denken nu. Hoe kreeg ik hem toch op een nette manier de deur uit? 

‘Maar ik wil vanmiddag nog uit met de meisjes.’ Hij keek alsof hij me niet volgen kon. Ik kwam vast niet overtuigend over. ‘.. naar Omniversum!’ verzon ik direct: ‘Daar willen ze al tijden heen!’ Ik wierp hem een verontschuldigend lachje toe. 

‘Leuk!’ zei hij en er gleed een brede grijns over zijn gezicht: ‘Dat wil ik ook al een tijdje! Ga ik toch gezellig met jullie mee?!’