Gevangen

Een pedofiel is iemand die je alleen in het nieuws tegen komt. Zo’n zielig mannetje, die nergens meer kan wonen. Want niemand wil hem in de buurt.

Een pedofiel herken je meteen. Het is een eigenheimer. Op zichzelf. Zo’n vaag figuur, die haast nooit buiten komt. Een einzelgänger, die je niet snel tegen zult komen.

Dacht ik..

Maar nu weet ik wel beter. Nu weet ik dat een pedofiel veel dichterbij kan zijn, dan je denkt. Dan je hoopt. Dan je wilt. En dat hij niet is te herkennen aan zijn uiterlijk, zijn gedrag of aan zijn leven.

Het kan dus, gewoon, die ene nette vriend zijn. Getrouwd en zelfs vader van kinderen. En hij kan zich dus, zomaar, vergrijpen aan je dochter. Ongestoord. Zonder dat je het door hebt. Omdat jij hem vertrouwt. En hij bewust kiest voor je kleine meisje, die nog niets vertellen kan. Die niet tegenstribbelt, omdat ze niet begrijpt wat er gebeurd.

Niet alleen zij is slachtoffer van deze misselijke daad. Maar ook ik voel me dat. Omdat hij, in míjn huis, aan míjn kind heeft gezeten.

Terwijl hij nu netjes vast zit in een cel, moeten wij leren leven met de wetenschap van wat hij heeft gedaan. En er verder over zwijgen, omdat zelfs zo’n schoft nog recht heeft op wat privacy. Nog recht heeft op een goed leven.

Als je een zwaar ongeluk hebt gehad, dan kun je daar over praten. Als je ernstig ziek bent, vertel je dat gewoon. Als je littekens hebt, kunnen mensen dat zien. Maar slachtoffers van zedendelicten zitten gevangen. Want zeden-misdaden, daar praat je niet over. Dat is te intiem.

En als de dader straks weer vrij rond loopt, zitten de slachtoffers nog altijd gevangen. Vast in hun emoties. Pijn, onmacht en frustratie. Want, terwijl de dader al heel vaak is verhoord en wederhoord, is het slachtoffer vaak nog nooit echt gehoord.

Advertenties

Slachtofferhulp (2)

‘Wilt u koffie?’ vroeg ik, zodra de man en de vrouw plaats hadden genomen op de bank. ‘Nee, hoor,’ zei de man. Hij keek ernstig. ‘Gaat u eerst zelf ook maar even zitten,’ stelde hij voor.

Ik had graag nog even aan het idee willen wennen, dat de zedenpolitie op míjn bank zat. Even acclimatiseren, onder het zetten van een pot koffie. Maar, gedwee, nam ik plaats op de stoel tegenover hen.

De vrouw glimlachte geruststellend, terwijl de man het woord nam. ‘We hebben u gisteren dus gebeld. Heeft u enig idee waarvoor we komen?’ Stilletjes vroeg ik me af of hiermee de eerste stap van dit onderzoek was gezet.

‘Geen idee!’ gaf ik toe. Natuurlijk had ik, sinds het desbetreffende telefoontje, alleen maar lopen gissen. Het kon de vader van de oudste meisjes zijn. Of, misschien wel, die van de jongste twee. Of moest ik het verder zoeken? Ergens in de vriendenkring?

‘Het gaat namelijk over de heer.. ‘ en toen klonk de naam van een vroegere vriend. Iemand, die ik al jaren niet meer had gezien. Totaal uit het oog verloren.

Ik kende hem vanuit mijn vorig huwelijk. Toen ik nog getrouwd was, met de vader van de oudste meisjes. De mannen waren vrienden. En ik kon aardig overweg met zijn vrouw. Het stel kreeg ook twee dochters. Van dezelfde leeftijd als de onze. We werden steeds hechter. Zo close zelfs, dat ze eens zes weken in ons huis hebben gewoond.

Niet zomaar. Het was een win-win situatie. Zij stonden op het punt van verhuizen. Van de grote stad naar ons dorp. En ik zat verstrikt in een ernstige depressie. Veroorzaakt door mijn huwelijk, met een narcistische man. Mijn therapeut had me geadviseerd een aantal weken op adem te komen. Ergens in een rustoord. Maar dat zag ik niet zitten. Alléén, als ik zeker zou weten dat er goed werd gezorgd voor mijn twee meisjes, van toen twee en vier. Het stel wilde die taak wel op zich nemen. Dan konden ze tegelijk vast wennen aan ons dorp. En de avonden klussen in hun nieuwe huis.

Vóór mijn vertrek toverde ik de zolder om tot een heuse woonetage. Daar konden ze zolang hun intrek nemen. Ik regelde verder iemand voor de was, de strijk en het uitlaten van de hond. De vaders konden, zodoende, gewoon doorgaan met hun werk. En ik kon, met een gerust hart, de boel achterlaten. De meisjes zouden me nauwelijks missen.

Over deze man ging het dus. De man, van dit stel. Dat tijdelijk bij ons in huis heeft gewoond. Voor onze kinderen heeft gezorgd. ‘Ja, die ken ik wel,’ gaf ik toe: ‘Maar, sinds mijn scheiding, is dat contact compleet verwaterd.’ ‘Hij zit in detentie..’ gooide de man eruit. In detentie? Waar was het mis gegaan met hem? ‘In verband met incest,’ voegde de man er iets voorzichtiger aan toe. ‘Oh?!’ Wat gruwelijk! Hoe kon het gebeuren? Waarom had ik nooit iets gemerkt? Arme meisjes!

‘Maar nu..’ de man keek me aan, alsof hij mijn volledige aandacht nodig had. Ik rechtte mijn rug en luisterde aandachtig. ‘Nu heeft hij, tijdens het verhoor, nóg een bekentenis afgelegd. Iets, waarmee we behoorlijk in onze maag zitten. We hebben de officier van justitie gevraagd wat we ermee aan moesten. En hij heeft ons opgedragen ermee naar jullie toe te gaan.’

‘Oke,’ knikte ik. Maar ik had geen idee waar hij naartoe wilde met zijn verhaal. ‘Kunt u me volgen?’ hoorde ik de man vragen. De vrouw zat nog altijd zwijgzaam naast hem. Haar ogen, continu, op mij gericht. ‘Ja, ik denk het wel..’ deed ik twijfelachtig. Dus hervatte hij zijn relaas: ‘Meneer wilde, na al die jaren, eindelijk alles eruit gooien. Volledig schoon schip maken. Dus heeft hij alles opgebiecht. Werkelijk alles. En dus..’ Ik schoof naar het puntje van mijn stoel. Me bewust dat nu het moment was aangebroken.

‘Zo heeft hij, tijdens het verhoor, verteld dat hij niet alleen zijn eigen dochters heeft misbruikt. Maar.. ook een dochter van u.’ Met grote ogen keek ik van de man naar de vrouw. ‘Wie van de twee?’ wilde ik weten. ‘Het is gebeurd toen hij, met zijn gezin, een tijdje bij jullie heeft gewoond,’ legde hij verder uit: ‘Het gaat om de jongste van destijds.‘ ‘Walgelijk! Wat ziek!’ riep ik.

Ongeloof, afschuw en boosheid volgden elkaar in rap tempo op. Hoe kon een vent zich vergrijpen aan een onschuldig kind van twee?! Wrok en duizenden vragen. Waarom? Hoe had het kunnen gebeuren?! Waarom ben ik er zelf niet achter gekomen?

‘Had u dit verwacht?’ vroeg de man na een tijdje. ‘Nee,’ zuchtte ik. Maar opeens vielen er heel veel puzzelstukjes op z’n plaats.

Ik begreep nu waarom het zolang duurde, voor mijn dochter zindelijk werd. Ik begreep eindelijk, waarvoor ze al die nare onderzoeken moest ondergaan. Waarom ik, jaren achterelkaar, ziekenhuis in en ziekenhuis uit heb gelopen met haar. Hoe het kwam dat de sessies bij de fysiotherapeut op niets uitliepen. Waarom ik dóór werd gestuurd naar een orthopedagoog. En deze algauw speltherapie voorstelde. Hoe het kwam dat, daarna, seksueel misbruik niet bevestigd kon worden nòch uitgesloten.

Eindelijk kreeg ik antwoord op al deze vragen. Maar het antwoord was een verschrikking. Een nachtmerrie, die ik nooit had gewild.

Slachtofferhulp (1)

Het was een hele gewone dag. Een maandag. Ik haalde de kids van school. En daarna stelde ik voor om samen even naar de Action te gaan. Heel gewoon. Zoals we dat wel vaker deden.

We liepen daar, in de drukte. Zoals dat gewoon is in de Action. Eigenlijk hadden we niets nodig, maar wilden vanalles. En net toen ik me bedacht waar ik nu eigenlijk aan begonnen was, klonk vanuit mijn tas dat bekende deuntje. Mijn telefoon. Ik ritste snel mijn tas open, greep naar m’n mobiel. Maar was al te laat. ‘3 gemiste oproepen’ stond er in het scherm. Iets belangrijks dus?!

Snel checkte ik het nummer. Het bleek niet van één van mijn contacten. Dus besloot ik me weer te focussen op mijn shoppende meisjes. Maar toen kreeg ik bericht dat mijn voicemail was ingesproken.

De hardnekkige beller maakte me nieuwsgierig. Dus besloot ik, daar, strak tegen één van de schappen en tussen het winkelend publiek, het bericht toch even te beluisteren. Ik prikte mijn vingertop in mijn vrije oor en sloot mijn ogen.

‘Goedemiddag mevrouw…’ Ik hoorde mijn naam noemen, door een onbekende stem. ‘U moet niet schrikken, maar de politie zoekt contact met u. Kunt u, zodra u daar toe in de gelegenheid bent, ons bellen op het volgende nummer…’

Oke. Ik moest niet schrikken werd er gezegd. Maar inmiddels zat ik bijna ìn de schappen. Natúúrlijk schrok ik me rot! Ik had me nog nooit zó oncomfortabel gevoeld in deze winkel.

Ik wilde naar buiten. Zo snel mogelijk terug bellen. Maar inmiddels liepen mijn dochters overal verspreid. Ik keek snel om me heen. Taxeerde de drukte en de plek waar ik stond. En besloot toen dat ik best nòg een telefoongesprek kon voeren hier. Dus toetste ik het opgegeven nummer in.

‘Hallo. U heeft zojuist mijn voicemail ingesproken,’ zei ik, zodra er werd opgenomen. ‘Mooi dat u zo snel kon terugbellen, mevrouw,’ zei de man. Ik slikte en hield mijn adem in. ‘Er is niets ernstigs gebeurd, hoor, maar we zijn van de zedenpolitie. En willen u graag even spreken in verband met een lopend onderzoek. Kan dat?’ ‘Ja, hoor,’ deed ik gelaten, terwijl mijn hart mijn binnenste uit leek te stuiteren: ‘zeg het maar..’ Ik zette me schrap.

‘Nee, we willen eigenlijk daarvoor bij u langs komen. Is dat mogelijk? Schikt het morgenochtend bijvoorbeeld?’ Ik probeerde snel te bedenken of ik dan al iets in de planning had. Maar meteen bedacht ik me dat er niets belangrijker kon zijn dan dit. ‘Prima!’ antwoordde ik. ‘Goed, dan zien we elkaar morgen. Elf uur. We komen in burger en we zijn met z’n tweeën.’ ‘Is goed, hoor!’ probeerde ik luchtig te laten klinken. En na een formeel afscheid, stopte ik gespannen mijn telefoon weer weg.

Even keek om me heen. Het was alsof ik zojuist, vanaf een andere planeet, midden in de winkel was beland. Verward. Verstrooid. Gedesoriënteerd.

Maar toen kwam mijn dochter naast me staan: ‘Mam, wie was dat?’ Ik haalde mijn schouders op en zei: ‘Geen idee!’ Vlug draaide ik me om en vroeg waar de anderen waren. Ik wilde mijn meisjes niet belasten met mijn angsten en vragen.

Algauw waren we weer compleet. Ik had geen zin meer om de rest van de winkel door te struinen. Ik wilde naar huis. Alleen zijn. En even laten bezinken en overdenken. Wat stond me te wachten? Wat hing er boven ons hoofd?

Morgen zouden we het weten. Morgen al. Nog maar één nachtje slapen, zou ik tegen de kinderen zeggen. Maar nog nooit heeft ‘één nachtje’ zo lang geduurd!

Heimwee

Het is weekend. Iedereen thuis. Ik zit op de bank. Mijn ogen gericht op het handwerk op mijn schoot. Maar in mijn gedachte ben ik er niet bij. Herzie ik steeds de beelden. Weergaven, uit vervlogen tijden. Van twee jonge, blijmoedige mensen. Foto’s van vroeger, van ons, die jij zomaar naar me appte. Sindsdien niet meer uit mijn hoofd te bannen.

Voorzichtig pak ik weer mijn telefoon. Stiekem. Niemand mag het zien. Want hoe zou ik ooit uit kunnen leggen hoe ik ineens aan al deze plaatjes kom?! Foto’s, waarvan zelfs ìk het bestaan niet wist.

Ik open het venster. Dan zie ik mezelf, van zo’n vijfentwintig jaar terug. Een rimpelloze huid, slank postuur, wilde haren. Stralend en gelukkig. Alsof onze liefde eindeloos was.

Ik zie ons samen. Mijn gestalte, staande, in jouw sterke armen. En tegenover je zittend, in een restaurant. Diep starend in elkaars ogen. Alsof we alles uit het moment wilden halen.

Ik zie hoe mijn jonge versie op een heuvel ligt. Languit, in het gras. In de verte, in het dal, ligt de stad. En op de voorgrond is nog net een schoen te zien. Het verraadt jouw aanwezigheid. Maar de blik in mijn ogen zegt ook al genoeg. De verliefdheid is er duidelijk vanaf te lezen.

Ik zie mijn jeugdige gedaante zitten, op het voeteneind van een hotelbed. Mijn armen losjes over mijn schoot. Een uitdagende lach om mijn mond. Ik stel me voor hoe jij daar moet hebben gehurkt. Vlak voor me. Zorgvuldig zoekend, om de foto vanuit de juiste hoek te nemen.

Heimwee. Ik word overmand door heimwee. Konden we maar teruggaan in de tijd! Nog éénmaal intens genieten van elkaar.

Ineens hoor ik op de achtergrond hoe dochterlief fragmenten van Mama Mia beluisterd. De film, waar ik zoveel in herken. ‘I don’t wanna talk..’ klinkt het door de kamer. In stilte zing ik mee. Even overweeg ik zelfs om dit lied naar jou te sturen. Als antwoord op jouw foto’s.

Want, zo was het! Zo voelde het! Toen ik ontdekte dat je de moed had opgegeven. Toen ik hoorde dat je het wachten moe was. Toen ik begreep dat je in een andere relatie was gestapt.

Spijt. Ik voel enorm veel spijt. Dat ik je geduld zo op de proef heb gesteld. Je alleen heb gelaten. Verloren en vertwijfeld. Dat ik je zomaar heb laten gaan.

Had ik toen maar gezien wat ik nu zie. Ware liefde. Die speciale chemie tussen twee mensen. Twee schepselen, die voor elkaar gemaakt zijn.

Wat zou ik graag nog nieuwe herinneringen met je maken. Even weer compleet met je zijn. Om nooit meer te vergeten hoe het was. Om je nooit meer los laten. En de rest van ons leven de liefde te vieren.

Vergeten

Het is één uur ’s nachts. Ik kan niet slapen. Zachtjes ben ik het bed uit gekropen. Jouw wekker staat op vier uur. Misschien vijf uur. Ik weet het niet. Maar ik weet wel dat je ligt te snurken en ik je niet wakker durf te maken.

Je ligt te snurken! Terwijl het in ons leven stormt. Terwijl alles op de klippen dreigt te lopen. Ons huwelijk op springen staat. Een financiële afgrond ons aanstaart. En jij slaapt.

Ik zou zo graag met je willen praten. Zoeken naar oplossingen, die er misschien helemaal niet zijn. Ik zou mijn zorgen willen delen. Je mijn pijn en angst willen laten zien. Maar je weigert te kijken. Zegt dat het nu niet kan. Dat je je moet concentreren op andere zaken. En je slaapt. Je slaapt overal doorheen.

Ik zou me willen bezatten. Zoveel wijn willen drinken, tot de slaap me overmant. Tot ik verdrink in vergetelheid. Tot ik niet meer weet wat voor een drama zich over ons leven voltrekt.

Ik wil vergeten. Niet meer voelen. Maar het lukt me niet.

Stilte 

Stilte. Ik verlang naar volkomen stilte. En in die stilte, wil ik voelen. Echt voelen. Intens het gevoel binnen laten van pijn, gebrokenheid. Maar ook van liefde.

Het lijkt alsof er geen plaats meer is voor gevoelens. Het leven lijkt meer op een computerspel. Met steeds weer nieuwe hindernissen. Steeds weer een hoger level. Ik spring en buk en kruip er doorheen. Steeds meer punten, met verlies van steeds meer levens. Waar houdt het op? Bij welk level zal het ‘game-over’ zijn?

Ik wil leven. Echt leven. Intens leven. Voelen waar ik mee bezig ben. Niet gedachteloos doorgaan. Me laten overspoelen, met als enig doel het hoofd boven water houden. Ik wil niet stikken. Maar de golven trotseren. Berekenen. Zien rollen. Op me af zien komen. En springen op het juiste moment.

Ik wil op adem komen. Rustig bijkomen, voordat de volgende slag geslagen moet worden. Op kracht komen om het alles weer te kunnen doorstaan. Om te leren. Te triomferen. Mijn neus in de lucht. Een glimlach op mijn gezicht. Het gevoel van moed en dapperheid. Het gevoel van leven!

Ik wil geen robot meer zijn..

Me-time

Ik kijk op de klok. Nog zo’n anderhalf uur voordat ik werken moet. Mooi! Ik nestel mezelf op de hoek van de bank. Gooi mijn voeten recht vooruit. Duw een kussen naast me en één achter mijn rug. Wiebel wat heen en weer. Zit prima zo! Dan haal ik mijn mobiel tevoorschijn. Dat is toch wel het makkelijkste. Het typt prettig en niemand heeft door dat ik aan het bloggen ben.

Even sluit ik mijn ogen om me te concentreren op wat ik schrijven wil. Ik ga terug in de tijd. Naar toen ik 18 jaar was. Ik probeer te voelen wat ik toen voelde. Hoe ik in het leven stond en waar ik mee bezig was. Smoorverliefd was ik. En even voel ik dezelfde warmte als ik toen voelde.

‘Mam!’ hoor ik dan. Dochter komt de kamer binnen en vraagt aandacht. Ik ben uit mijn verhaal. Ietwat geïrriteerd kijk ik op. ‘Wat is er?!’ ‘Nee, laat maar. Ik heb het al..!’ Ik mompel iets van ‘oke’ en ga terug naar waar ik gebleven was. Dan zit ik weer op mijn kamertje, in de zusterflat en wacht op mijn geliefde. Spannend! Zenuwachtig loop ik naar de spiegel. Zit mijn haar wel goed?

De vaatwasser piept. Klaar met zijn programma. ‘Dat kan nog wel wachten,’ besluit ik. Nu is het ‘me-time’! In gedachte zet ik de tijd iets vooruit en zie ons languit liggen op het bed. De enige comfortabele plek die mijn kamertje rijk is. Mijn geliefde en ik bekijken wat jeugdfoto’s van me. Ondertussen strijkt zijn hand liefdevol door mijn haar. Ik kijk opzij en kus zijn wang.

Dochter twee komt binnen. ‘Weet u wat ik vandaag hoorde?’ Ik heb geen idee. Wil het eigenlijk ook even niet weten. Ik wil in mijn verhaal blijven, maar dochter-lief denkt daar anders over. ‘Mam, luistert u wel?!’ klinkt het verwijtend. ‘Huh? Wat?’ ‘Nou, weet u.. ik hoorde..’ Langzaam vervaagd het beeld van mij en mijn grote liefde. Ik wordt terug geroepen naar deze tijd.

Kleine dreumes klimt op mijn schoot. ‘Ikke schoot zitten!’ ‘Mama is even bezig, lieverd!’ Ze stampvoet en zet het op een gillen. ‘Ikke jouw schoot!’ maakt ze nogmaals duidelijk. Ze worstelt zichzelf de bank op en neemt plaats op mijn benen. Ze werkt haar rugje achterover tegen mijn buik. Haar armpje gaat omhoog en ik voel haar handje in mijn nek kriebelen. Zo lief! Even geniet ik van het moment. Maar wil dan weer terug naar mijn verhaal. Mijn herinnering. Daar, op dat bed..

De deurbel. ‘Wie doet er open?’ roep ik. Geen antwoord. Ineens lijkt niemand zich meer in de kamer te begeven. Dan moet ik het zelf maar doen. Peuter zet ik naast me op de grond. Zuchtend loop ik richting de deur. ‘Hallo mevrouw. Heeft u even tijd?’ Ik wil zeggen dat het niet schikt, maar hij staat al te zwaaien met het pasje dat mij moet vertellen dat hij betrouwbaar is. ‘Ik heb een geweldig mooi aanbod voor u. Alleen vandaag!’ Misschien verwacht hij nu een dankbare glimlach, maar ik kan niets anders zeggen dan dat ik geen interesse heb. ‘Maar mevrouw, dan doet u zichzelf ongelooflijk tekort!’ Tja, inderdaad. Ik had gewoon niet naar die deur moeten lopen. Daar gaat mijn tijd!

Als ik de jongeman eindelijk heb kunnen aftroeven, loopt hij met hangende schouders de tuin weer uit. Ik loop in dezelfde houding terug naar de bank. Daar zit de kleine meid, triomfantelijk in het hoekje: ‘Ikke buite pele!”Ik wil niet..’ Maar daar heeft zij geen boodschap aan. Ze rent al naar de kapstok en haalt haar jas tevoorschijn. Haar schoentjes volgen. ‘Oke dan!’ geef ik toe. Ik haal mijn mobiel uit mijn zak en stop hem in mijn handtas.

Er is blijkbaar geen tijd voor ‘me-time’. Het is weer ‘we-time’.

33. Praten

‘Ik wil praten,’ fluisterde ik zo hard mogelijk: ‘Niet later, maar nu!’ Het was zaterdagochtend. Uitslaap-ochtend. Maar ik stond, al aangekleed, voor het grote bed en keek hem recht aan. Langzaam hief hij zijn hoofd van het kussen: ‘Hoezo?’ Ik rolde met mijn ogen en betrapte mezelf erop met opgeheven vinger te staan. Alsof ik een zoon toesprak. Snel zette ik mijn hand in mijn zij. ‘Ik ben het zat om alleen maar te praten, als we bij de therapeut zijn. Dat moet nu toch ook gewoon lukken?!’

Eigenlijk is het best lastig. We leven alle dagen met de kids om ons heen. Zijn druk met werken en de boel coördineren. Er is zelden ruimte voor een persoonlijk gesprek. De oudsten liggen laat op bed en de jongsten halen ons zelfs ’s nachts uit onze slaap. Daarbij wil ik de meiden niet onnodig belasten met de spanningen die er tussen ons zijn. Dus worden diepgaande gesprekken vaak vermeden, zodat de sfeer in huis ontspannen blijft.

‘Ik wil gewoon dat je nú mee naar beneden komt.’ De kinderen waren nog stil. Lagen nog te slapen. Deze kans wilde ik benutten. ‘Hou op, joh! Ga gewoon weg!’ was zijn antwoord. Hij liet zijn hoofd weer zakken en draaide zich om. Even voelde ik me uit het veld geslagen. Was ik verbijsterd. Maar toen rechtte ik mijn rug en besloot door te zetten. Het was toch van de zotten dat we thuis deden of er niets aan de hand was, terwijl bij de therapeut ons leven op de kop stond.

Ik legde mijn hand op zijn schouder. ‘Nu!’, herhaalde ik zachtjes, maar dwingend. Hij schudde mijn hand van zich af: ‘Rot gewoon op!’ hoorde ik hem zeggen. Maar zo makkelijk kwam hij niet van me af. Het werd tijd dat hij ook de noodzaak van praten inzag. ‘Weet je, als je nu niet meekomt om te praten, dan mag jíj vertrekken. Oprotten, zoals jij het noemt!’ Het was lastig mijn stem niet te verheffen. ‘Ga zelf lekker weg!’ mompelde hij nog. Maar ik zag dat ik zijn aandacht had getrokken. Langzaam kwam hij overeind. ‘Als we zelfs niet meer kunnen praten, wil ik je nu vragen je tassen te pakken, het huis te verlaten en nooit meer terug te komen!’ siste ik. Toen sloeg hij het dekbed opzij: ‘Oke, waar wil je het over hebben dan?’

Samen liepen we de trap af. Hij nestelde zich op de bank. Zijn benen opgetrokken. Hij had iets weg van een bange hond . Maar ik voelde me geen baas of winnaar. Nog altijd was ik de verliezer. Want dat het zover tussen ons gekomen was, had ik nooit gewild.

‘Ik zie geen meerwaarde meer in het samen-zijn,’ begon ik rustig mijn relaas. ‘Na alles wat er gebeurd is. Na het gesprek bij de therapeut. Ik zie er geen heil meer in. Ik mis de motivatie om mijn schouders er nog onder te zetten. Na wat jij mijn dochter hebt aangedaan, is alles omlijnt door een zwart randje. Hangt er altijd een donkere wolk boven ons bestaan.’Ik wees hem op de afstand die er tussen ons was ontstaan. Zijn lastige positie die hij binnen het gezin had verworven. Maar ook de financiële schulden, die ik door hem had gekregen. En zelfs de zooi in- en rondom het huis, die ik dagelijks van hem tegenkwam. ‘Ik zie alleen nog maar voordelen in een scheiding. Dat zou alles oplossen,’ zei ik tenslotte.

‘En onze meisjes dan?’ vroeg hij timide. Daar had ik al zo vaak over nagedacht. Voor hen wilde ik nog samen doorgaan. Maar als dat niet zou gaan, dan moesten zij er zo min mogelijk onder lijden. ‘Als wij goede afspraken maken, komt het met hen ook wel goed,’ zei ik heldhaftig. Ik had het ze zo graag willen besparen. Twee apart wonende ouders.

‘Ik wil ze dan wel de helft van de tijd. Co-ouderschap, of zoiets,’ gaf hij te kennen. Dat was heel wat anders dan hoe het nu met de oudste meiden ging. Die zagen hun vader nooit. Werden door hem totaal genegeerd. Hoe anders zou het zijn voor de jongste meisjes. Een goede oplossing. Maar ook een lastige. Het zou betekenen dat ik de meisjes de helft van de tijd zou moeten missen. Dat ik er niet altijd zal zijn, als zij mijn naam zullen roepen. Die gedachte deed pijn. Ik voelde mijn ogen branden. Een traan ontsnapte over mijn wang. Mijn mondhoek trilde.

‘Kom maar!’ zei hij en kwam naast me zitten: ‘Je hoeft je niet groot te houden!’ Hij legde een arm om me heen. Ik verstijfde. Wilde de moed niet verliezen, maar doorzetten. ‘Laat maar, ik red me wel.’ Met mijn mouw veegde ik mijn gezicht weer droog. Ik ging rechtop zitten en zuchtte diep om weer op adem te komen.

‘Ik ben blij dat we zo gesproken hebben,’ zei ik later opgelucht. ‘Ook dat miste ik enorm in onze relatie!’ ‘Dan moeten we dat toch veel vaker doen,’ opperde hij. En het leek alsof hij daardoor toch nog een sprankeltje hoop had terug gevonden.

32. Vraagtekens

‘Ik wil met jullie teruggaan naar het moment waarop het misbruik aan het licht kwam,’ stelde de therapeut voorzichtig voor. We zaten in het kleine kamertje. Met z’n drieën, schuin tegenover elkaar en vormden zo een gespreks-driehoek. ‘We beginnen bij jou,’ zei ze, met een knikje mijn richting uit. Ik haalde diep adem. Het woord ‘misbruik’ was al afschuwelijk om te horen. Laat staan om erover te praten.

Ik dacht diep na om woorden te geven aan dat verschrikkelijke moment dat mijn dochter het vertelde: ‘Het was alsof er een koude hand om mijn hart werd gelegd. Alsof mijn keel werd samengeknepen. Maar tegelijk kon ik het ook niet geloven,’ zuchtte ik. ‘Toen het tot me doordrong was het alsof de hele basis, alles waar we op hadden gebouwd, werd weggeslagen. Onder mijn voeten werd plat-gebombardeerd. En ik op de ruïne’s moest leren verder te leven.’

Het was niet de eerste keer dat ik zo’n ervaring had. In mijn eerste huwelijk was ik daar al vaker tegenaan gelopen. Telkens, als ik er weer achter kwam dat de vader van de oudste meisjes helemaal niet zo’n nette jongen bleek te zijn, als ik had vermoed. ‘Ik was misschien inmiddels gewend om door te gaan. Na elke klap die ik te verwerken kreeg, in het verleden, krabbelde ik ook weer op. Strompelde verder. Roeide ik door, met dat wat ik nog over had van de riemen. Zo voelde het toen ook!’

Ik keek opzij en peilde zijn reactie. Ik zag dat zijn ogen rood waren, maar er waren geen tranen. Zwijgend zat hij daar en ik ging verder: ‘Toen bleek ik ook nog eens zwanger! Dat was de druppel. Ik overzag het niet meer. Wist niet meer hoe ik alleen verder moest gaan.’ Ik vertelde over de onmacht die ik voelde. De pijn. Maar ook de onzekerheid over de keuze die ik toen had gemaakt.

‘Hoe is dat voor jou om te horen?’ vroeg de therapeut aan de man rechts van mij. Hij keek verschrikt op. ‘Rot!’ klonk het schuldbewust.

‘De enige reden dat ik nu nog bij je ben, is voor onze kinderen,’ ging ik verder:’En omdat we het fatsoen hebben om normaal met elkaar om te gaan.’ Hij knikte langzaam en mompelde: ‘Dat snap ik.’

‘Voor mij kwam het misbruik als donderslag bij heldere hemel,’ legde ik uit: ‘We hadden het toch goed samen? Ik was dankbaar dat ik je was tegengekomen. Blij dat ik ook eens mocht meemaken wat het is om ‘gelukkig-getrouwd’ te zijn. Ik voelde me een team met je. Samen-één. Maar dat is nu helemaal weg.’

‘Maar hoe kwam het dan tòch zover?’ vroeg de therapeut, met haar blik op hem gericht. Ik zag hoe hij aarzelde. Wiebelde op zijn stoel. Hoe hij de vloerbedekking bestudeerde en toen weer naar mij keek. ‘Ervoer jij jullie huwelijk ook zo, zoals zij het omschreef?’ moedigde de therapeut hem aan om toch wat te zeggen. Ik hield mijn ogen op hem gericht. Keek hem verwachtingsvol aan. Hij zou dit toch ook beamen? Zeggen dat hij er hetzelfde instond als ik.

‘Nee,’ kwam er na lange tijd uit. ‘Nee, ons huwelijk was toen even wat minder.’ Verward keek ik van de één naar de ander. Ik begreep er niets van. Wilde schreeuwen: ‘Hoe kan dat nou?!’ Maar dat was niet volgens de instructies. Ik zou moeten luisteren. Stil zijn. Geduldig wachten op wat komen ging. Ik beet op mijn lip.

‘Nee,’ begon hij zijn relaas: ‘Ik had het idee dat ze me toch niet vertrouwde. Dacht eigenlijk dat het kwam door haar vorige huwelijk. Daarin was ze natuurlijk al behoorlijk beschadigd. En nu merkte ik het ook. Ze stelde me veel vragen. Wilde alles van me weten. Over mijn verleden. Over de tijd dat ik haar nog niet kende,’ hoorde ik hem uitleggen.

Waarom heeft hij me dat nooit gezegd? Dat hij het zo interpreteerde? Dat hij het zag als een kruisverhoor, in plaats van interesse? ‘We hadden toch afgesproken dat we open en eerlijk naar elkaar zouden zijn?!’ interrumpeerde ik hem nu: ‘Dat we alles tegen elkaar zouden zeggen? Dat we geen geheimen voor elkaar zouden hebben? Ja toch?’ Ik kon het niet laten hem doordringend aan te kijken: ‘Voor mij was dat een stukje investeren. Investeren in onze relatie. Omdat we dat zo hadden afgesproken en ik zuinig wilde zijn op wat we hadden. Maar dat is nu ver te zoeken. Ik stel geen vragen meer, omdat het me niets meer kan schelen! Al zou je vreemdgaan. Zolang je maar van mijn kinderen afblijft!’ gooide ik er in een keer uit.

‘Zoo’, was alles wat hij zei. Het klonk ietwat geschrokken en even zette hij grote ogen op. Verder niet. Het bleef ineens doodstil.

In die stilte bedacht ik me, dat hij misschien wel ‘verliefd’ was geweest op mijn dochter. Omdat de relatie met mij, volgens hem, even ‘wat minder’ ging. Zou dat het zijn geweest? Was dat dan de oorzaak? De reden om te doen wat nooit had mogen gebeuren? En hoe was dat dan nu? Nu onze relatie op zo’n laag pitje was komen te staan, dat ons huwelijk alleen nog maar was gebaseerd op het gezamenlijk hebben van twee kleine meisjes?

‘Mensen, het is al kwart over acht. Tijd om af te ronden,’ onderbrak de therapeut de stilte: ‘Er hangt nog een groot vraagteken in de lucht. Maar dat laten we maar even zo. Over twee weken zullen we het weer oppakken.’ Ik knikte gedwee. Het was een groot, onopgelost, vraagteken, ja. Dat hing er en zou er voorlopig blijven.

En eigenlijk was het er al jaren. Maar inmiddels was het nog veel groter dan voorheen.

31. Een afspraakje

Wat voelde ik me verloren, die eerste weken in de zusterflat. Als zeventien-jarige werd ik ineens in het diepe gegooid. Ik moest mijn eigen potje koken, zelf de afwas doen, mijn kleding eigenhandig wassen en mijn kamer netjes houden. Dat viel niet mee.

Ook maakte ik kennis met allerlei nieuwe mensen. Mijn gang- en studiegenoten. Sommigen waren net begonnen, net als ik. Anderen waren al doorgewinterde kamer-bewoners. Zij maakten me wegwijs in dit onbekende bestaan. 

Het was flink wennen. Ik voelde me soms vergeten. Alleen op mijn kamertje. Alsof ik er netjes opgeborgen zat en er niemand was die zich nog over me bekommerde. Tot op die avond. Ergens, in die eerste weken. Toen de telefoon ging..

Het was nog zo’n groot, grijs apparaat. Met draaischijf. De enige die onze gang rijk was. Hangend in het midden van de lange hal, waaraan alle kamerdeuren grensden. Het schelle geluid was overal hoorbaar. Maar daar raakte ik al snel aan gewend. Meestal waren het de meiden van de oudere garde die hem dan opnamen. Zij kenden degenen die hier woonden het best. Zij wisten wie ze roepen moesten, als er voor iemand werd gebeld. Dat was, tot nu toe, nog nooit voor mij geweest.

Maar dit keer werd er op mijn deur geklopt: ‘Telefoon voor jou!’ Ik opende snel mijn deur. Bedankte haastig de boodschapper en rende naar de hoorn die inmiddels, bengelend aan het gekrulde snoer, bijna de grond raakte. Vlug nam ik het ding ter hand en verwachte mijn moeders stem aan de andere kant van de lijn. 

‘Ja, hallo?’ zei ik bijna buiten adem.‘Hoi! Ken je me nog?’ hoorde ik een diepe, warme stem zeggen. Hij noemde zijn naam en ik begreep direct om wie het ging. Het was de jongen die ik op het examenfeest van mijn vriendin had ontmoet! ‘Ja, natuurlijk! Wat leuk dat je belt,’ zei ik enthousiast. Ik hoopte dat ik niet al te wanhopig over zou komen. ‘Zou je het leuk vinden als ik van de week nog bij je langskom?’ vroeg hij. Mijn hart sloeg over. Hij hield zich dus aan zijn belofte!  ‘Ja, best!’ probeerde ik rustig te blijven. Maar ik kon wel dansen van plezier. 

De afgesproken avond deed ik extra mijn best er goed uit te zien. Mijn lange haar getoupeerd. Flinke laag haarlak eroverheen. Een beetje mascara en wat oogpotlood. Toen ik eindelijk tevreden was, zette ik mijn deur op een kier en nestelde me op èèn van de twee stoelen die mijn kamertje rijk was. Ik spitste mijn oren in de hoop dat ik hem zou horen, zodra hij onze verdieping had bereikt.

Nog voor de afgesproken tijd was daar het krakende geluid van de deur naar het trappenhuis. Voetstappen op de gang, die steeds dichterbij leken te komen. Geroezemoes van een mannenstem die mijn naam noemde. En toen vastere stappen richting mijn deur. Vluchtig kneedde ik mijn lok. Nam snel de juiste houding aan en bleef zo zitten. Het moest lijken alsof zijn komst me overrompelde.

Er volgde een kort klopje. ‘Binnen!’ riep ik automatisch. De deur werd langzaam opengeduwd. En daar stond hij. In de deuropening. Lang, breed en zijn krullen goed gekapt langs zijn hoofd. ‘Hoi’, zei hij nonchalant. ‘Ha! Kom verder!’ deed ik kalm, terwijl ik mijn hart in mijn keel voelde bonken. 

Die avond nam hij me mee om wat te drinken in de stad. Onder het genot van Pisang-Ambon met jus d’orange, praatten we honderduit. Ik had geen notie van de omgeving. Was alleen maar bezig met wat hij van me vond en waarom hij eigenlijk gekomen was. Stilletjes vroeg ik me af of hij mij net zo leuk vond als ik hem.

Laat in de avond liepen we terug naar de auto. De auto van zijn broer, die hij speciaal voor deze gelegenheid had mogen lenen. Hij zou me terugbrengen naar mijn kamer. Me daar weer afzetten. Me alleen achterlaten. En dan? Zou er nog een volgende afspraak komen?

Ik voelde hoe hij voorzichtig een arm om mijn schouder legde. Ik keek even naar hem opzij en glimlachte. Het stelde niets voor, maakte ik mezelf wijs. Dit deed hij misschien wel vaker bij meisjes die hij aardig vond.

Bij de auto aangekomen, keerde hij zijn rug naar het portier. Langzaam liet hij zijn lichaam achterover leunen, tot hij steun vond tegen de auto. Toen strekte hij beide handen naar mij uit en omklemde mijn polsen. Ik deed een stap dichterbij en zag de glinstering in zijn ogen. Ik voelde hoe hij me zacht naar zich toe trok, tot mijn lichaam het zijne raakte. Ik legde mijn hoofd tegen zijn schouder en voelde hoe zijn hand liefdevol door mijn haren gleed.

‘Als je eens wist hoelang ik hierop heb gewacht?!’ fluisterde hij. Ik hief mijn hoofd naar hem op en beantwoorde de intense zoen die hij gaf. Daarna glimlachte ik: ‘Word jij dan de vader van mijn toekomstige kinderen?’