19. Proces

‘Hoi! Hoe gaat t?’ vroeg hij door de telefoon. Meteen was ik op mijn hoede. Hij kon het niet menen. Nog nooit had hij willen weten hoe het met me ging. ‘Goed, hoor!’ deed ik luchtig. ‘Fijn om te horen,’ hoorde ik hem zeggen. Ik bleef stil, afwachtend waarvoor hij belde. 

‘Ik heb een brief gehad,’ ging hij uiteindelijk verder. Ik zette me schrap. ‘Van je advocaat,’ legde hij uit. ‘Heel jammer, moet ik zeggen!’ Ik hoorde hoe hij teleurstelling speelde.‘Tja, ik voelde me min of meer gedwongen door je,’ ontglipte me. ‘Door mij?’ gilde hij. Hij viel uit zijn rol.’Door mij? Hoe kun je zoiets zeggen! Je kunt zó weer bij me terug komen! Dat weet je best!’ 

Ik moest er niet aan denken. Rilde al bij de gedachte. Terug naar alle ellende van toen. ‘Wat ben je van plan?’ wilde hij weten. ‘Nou gewoon..’ zei ik voorzichtig: ‘We moeten toch iets zien te regelen. Wanneer de kinderen naar jou toe kunnen enzo.’ De financiën hield ik achterwege. Dat zou hem sowieso doen oplaaien. 

‘Als je maar niet denkt dat je hun te pas en te onpas bij mij kunt afleveren, he?! Jij hebt er zelf voor gekozen om alleen verder te gaan, dus dan doe je het ook maar in je eentje!’ ‘Is goed, hoor,’ deed ik rustig. Het had geen zin om in discussie te gaan. 

En zo gingen we de echtscheiding in. Een vermoeiende weg, waarbij het maar niet lukte hem te overtuigen van het nut van duidelijke afspraken voor de kids.

Ook financieel probeerde hij me te raken. Hij liet zijn werkgever een verklaring schrijven waarin stond vermeld dat er sombere toekomstverwachtingen waren. Zijn inkomen werd daardoor onzeker. Toen ik hem wees op hoe onterecht dit was, riep hij: ‘Ik laat me niet door je uitkleden!’ Alsof het mijn bedoeling was hem zijn geld af te troggelen. Ik wilde alleen maar dàt waar de kinderen recht op hadden. Meer niet.

Uiteindelijk bleek dat ik mezelf behoorlijk in de vingers gesneden door de eerste maanden zo hard te werken om zelf rond te kunnen komen. Zijn advocaat complimenteerde me. Vond het knap dat ik me zo had weten te redden. Vervolgens werd er besloten dat hij niet zo’n hoge bijdrage hoefde te leveren, want ik had zelf al een aardig inkomen gecreëerd. En alimentatie-met-terugwerkende-kracht was dus al helemaal niet nodig..

Het hele proces bleek slopend te zijn. Ik huiverde als er een brief van zijn advocaat in de bus lag. Zat me vervolgens op te vreten, als ik las hoe doortrapt hij het speelde. Maar het mocht me niet uitputten. Ik moest door. Er zijn voor de kinderen. Geen tijd voor frustratie en stress. Dit moest zo spoedig mogelijk ten einde komen, zodat ik mijn leven weer kon leven.

‘Vader verzoekt dat de verblijfplaats van de kinderen bij de moeder zal zijn’ las ik tenslotte. Dat sloeg echt alles. Voor mij leek het wel vanzelfsprekend dat zij bij mij zouden blijven. Maar ik gunde het de meisjes dat er minstens wat getouwtrek zou zijn over hen. Dat we allebei zouden aangeven de volledige zorg op ons te willen nemen. Dat we ze altijd bij ons wilden hebben. Allebei. Maar vader wilde dat dus niet. Zelfs een bezoekregeling was moeilijk te realiseren.

Uiteindelijk hebben mijn advocaat en ik het hele proces zo snel mogelijk afgehandeld. We stuurden een concept ‘ouderschapsplan’ mee naar de rechter, zodat de boel compleet zou zijn. Ik had geen puf om nog een poging te doen voor betere afspraken of een grotere financiële bijdrage.

Hij moest maar lekker gelukkig worden met zijn gèld! Ik had de kinderen. En de kinderen hadden mij. Dat was toch onbetaalbaar?!



18. Volgende stap

‘Trouwens, de autoverzekering ga ik ook stop zetten,’ dreigde hij door de telefoon: ‘Denk maar niet dat ik ook maar íets voor je ga betalen!’‘Maar..,’ jammerde ik. Ik hoorde een spottend lachje: ‘Hah! Jíj bent weggegaan! Ik niet!’ brulde hij: ‘Dan zoek je het ook maar lekker zelf uit!’ Direct werd de lijn verbroken.  

De vader van de meisjes was algauw achter mijn verblijfplaats gekomen. Dat was wel even spannend. Maar ik wist dat het er toch een keer van zou komen. Ik kon me niet schuilhouden. Het gewone leven moest doorgaan. Ik moest werken. De kost verdienen. En ik gunde de kinderen ook een normaal leven. Zo veel mogelijk vertrouwd, met hun eigen vriendinnetjes.

De vader van de meisjes was vooral verbitterd, merkte ik. Hij deed geen enkele poging om me terug te krijgen. Informeerde ook niet hoe het met ons ging. Hij had geen idee hoe moeilijk het was om met niets weer een leven op te bouwen. Hoe het was om er steeds weer achter te komen dat er toch nòg iets was wat we nodig hadden. 

Het waren de gekste dingen. Zo wilde ik eten koken en bedacht ik me ineens dat daar ook pannen bij nodig waren. Wilde ik gaan douchen en had ik geen fatsoenlijke handdoek. Tafeldekken, en miste ik de onderzetters.

Gelukkig had ik lieve vrienden en collega’s die me vanalles van hun ‘teveel’ gaven. Ik kreeg een servies toegeschoven. Een oud koffiezetapparaat. Bestek. Linnengoed. En regelmatig vond ik zomaar iets in mijn brievenbus. Omdat ze wisten dat ik het wel gebruiken kon. Het niet breed had. 

Zíj snapten het! Maar de vader van de meisjes scheen alleen maar wraak te willen nemen. Me nog meer te willen laten lijden. Hoe dan ook. Daar maakte hij geen geheim van. 

Tot nu toe had ik mijn werk aardig met de kinderen weten te combineren. Mijn werkgever was gelukkig bereidwillig. Ik mocht ’s ochtends iets later beginnen, zodat het beter af te stemmen was met de oppas. Maar toen er ook weer weekenden gewerkt moest worden, zat ik toch wel met mijn handen in het haar. Dan had ik geen oppas. Ik kon ze toch niet hele dagen alleen laten?

Hun vader weigerde om de kinderen te hebben. En bij de meisjes was ook weinig animo om naar hem toe te gaan. Moest ik hen dwingen? Het AMK riep steeds dat kinderen ‘recht op hun vader hebben’. Maar moest ìk hen dan stimuleren? Motiveren? ‘Hoe langer ze ermee wachten om naar hem toe te gaan, hoe enger het zal worden,’ werd mij verteld. En daarmee wist ik genoeg.

‘Jij bent hun vader,’ probeerde ik het nog eens: ‘Ze hebben recht op je!’ Nog even stribbelde hij tegen. Maar toen ik het woord AMK liet vallen, ging hij toch overstag. ‘Oke,’ verzuchtte hij verslagen: ‘Je kunt ze deze vrijdagavond om acht uur brengen en zondagavond, zelfde tijd, weer ophalen.’ Daar viel niet aan te tornen, begreep ik. Dit weekend was dan geregeld. De volgende keer zou ik wel weer afwachten hoe hij het wilde.

Toch voelde ik me gedwongen om een volgende stap te nemen nu. Er moest toch iets definitiefs te regelen zijn? Een duidelijke bezoekregeling. Ik had geen zin om daar elke keer weer over te bakkeleien. En zou hij ook niet iets van een financiële bijdrage moeten doen? Zodat ik wat minder kon gaan werken.

Ik had een advocaat nodig. Een advocaat! Nog nooit had ik zo iemand bij de hand gehad. Er nog nooit één ontmoet zelfs. Waar vond ik iemand die geschikt was?

‘Je moet een ‘pro-deo’ hebben!’ De vrouw van het gemeentehuis wist het me allemaal te vertellen. ‘Enneh,’ ging ze verder: ‘We mogen natuurlijk geen reclame maken. Geen namen noemen. Maar als je bij het winkelcentrum kijkt..’ ze knipoogde stiekem naar me: ‘.. daar vind je vast een goeie! Weet ik zeker!’ Ze glimlachte samenzweerderig. Ik lachte dankbaar terug.

Meteen begaf ik me richting het aangewezen winkelcentrum. Aan de rand daarvan zag ik een pand dat me nog nooit was opgevallen. ‘Advocaten-kantoor,’ prijkte er in verlichte letters achter de naam. Ik liep naar de deur. Wat onzeker voelde ik of hij te openen was. 

Voor ik het wist stond ik aan de balie. ‘Goedemiddag mevrouw,’ zei de vrouw in zwart mantelpak: ‘Wat kan ik voor u doen?’ ‘Ik heb een advocaat nodig.. denk ik..’ slikte ik. De volgende stap was gemaakt.

17. (On)rust

De eerste nacht in de flat. Ik lig op bed, na de spannende dag. De huiskamer staat vol met vuilniszakken. Gevuld met kleding. Een onoverzichtelijk geheel. In welke grijze zak zit wat? Nou ja, dat is zorg voor morgen..

Ik vraag me af of hij de afscheidsbrief al gelezen heeft. Zou hij boos zijn? Ons nu aan het zoeken zijn? Of zou hij alleen zijn beklag hebben gedaan bij iedereen die het horen wil? Zoals hij normaal altijd doet. Klagen, en het daar ook bij laten. 

De geluiden die ik hoor zijn allemaal nieuw. Ik hoor een auto die start. ‘Oh help, dat is toch niet de mijne? Zou hij met de reservesleutel..?’ Ik glip uit mijn bed en kijk uit het raam. De auto had ik zo geparkeerd dat ik hem vanuit de flat in de gaten kon houden. Ik tuur in het schemer. Zie twee rode koplampen wegrijden. Waar stond hij ook alweer? Ik knijp mijn ogen samen. Maar dan zie ik hem. Onaangeroerd. Gelukkig!

Ik kruip opgelucht weer terug in bed. Ergens klinkt gesis. Gefluister? Ik hef mijn hoofd van het kussen. Wat als hij daar staat? Bij de voordeur. Fluisterend met zijn vriend over hoe ze naar binnen zullen breken. De kinderen mee zullen nemen. Of mij de les komen lezen. Wat, als straks de voordeurbel zou gaan? Als hij daar zou staan. Zou grijnzen: ‘Gevonden!!’ met meteen een voet tussen de deur.

Ik trek het dekbed tot over mijn oren. Wil niets meer horen nu. Ik wil niet meer denken. Niet meer bang zijn.

Ik draai op mijn rug en doe de ontspanningsoefeningen die ik ooit op zwangerschapsgym heb geleerd. Handen op de buik. Inademen via de neus…

Zouden de meisjes nu eigenlijk wel lekker slapen? Voor hen was het ook een spannende dag. Wat waren ze opgewonden en uitgelaten! Nietsvermoedend van de ernst van de zaak. Ze deden enthousiast mee met het uitladen van de auto. Waren blij verrast bij het zien van de meubels. Voor hen leek het een groot vakantieoord. Een vakantie zonder einde.

Waar zou het nu heen gaan? Hoe lang zouden we hier blijven? Zou hij me ooit nog smeken terug te komen? Beloven dat het anders wordt. Of zou ik uiteindelijk toch een advocaat moeten zoeken? Zal deze stap de eerste zijn naar een definitieve scheiding?

Een deur die slaat. Was dat hier? Ik zit rechtop in mijn bed. Dan is er gegiechel op de galerij. Zachtjes sluip ik door het huis. Door het keukenraam zie ik nog net twee mensen het trappenhuis in verdwijnen. 

Nog even inspecteer ik de slapende hoofdjes van de meisjes. Ik glimlach tevreden als ik ze daar zo ontspannen zie liggen. Wat waren ze vaak getuige van de eindeloze ruzies tussen hun vader en mij! Hoevaak vluchtten ze niet naar boven. Naar hun kamertje. Om daar te wachten tot het weer voorbij zou gaan. Dan zaten ze op hun bed. De armen om elkaar heen geslagen. Soms met gevouwen handjes. Biddend, om te vragen of het snel weer over mocht gaan. 

Nu zie ik twee zorgeloze gezichtjes. Vertrouwend dat mama het goed zal maken. En al weet ik niet wat de toekomst ons brengen zou, zij hebben nu rust. Dat is toch alles waard?!

16. Moeilijk

‘Kom op, wat doe je nou moeilijk?!’ zeurde hij: ‘Ik ben toch je màn!’ Hij pakte mij bij mijn schouders. Maar ik schudde zijn handen van me af. Draaide me op mijn zij, mijn rug naar hem toe. Mijn benen opgetrokken. Mijn armen beschermend om mijn borst. ‘Niet weer..’ kermde het vanbinnen. Ik wist dat ik sterk moest zijn. Heel sterk. Maar waarschijnlijk zou ik het verliezen. Hij had zo zijn rechten, want ik was zijn vrouw.

Hij vond dat het normaal was. Ik daagde hem toch zelf uit? Door me om te kleden in zijn bijzijn. Het ondergoed te dragen dat ik mooi vond. Het waren allemaal uitnodigingen.. vond hij.

Ik verving mijn lingerie voor minder mooi spul. Kleedde me voortaan om in de badkamer. Deur op slot. Maar ook die wist hij op den duur open te draaien. Ik slaakte een gil. Hij sloeg even achterover en lachte me toen uit: ‘Wat doe je nou gek?’

Er was geen genegenheid meer. Ik bleef alleen bij hem voor de kinderen. Zij hadden óók hun rechten, vond ik. Het recht op een vader en moeder in één en hetzelfde huis. Dat moest toch lukken?

De strubbelingen werden heftiger. Steeds vaker drong hij zich aan me op. Soms liet ik het gebeuren, om de druk van de ketel te halen. Gedachteloos. Lusteloos. Maar het leek nooit voldoende. Nooit genoeg.

Ik werd steeds benauwder. Bang dat het weer moest gebeuren, terwijl ik niet wilde. Hoe kon ik mezelf steeds weer geven aan de man die me kleineerde, tiranniseerde en me verder overdag niet zag staan? 

Ik bleef op, als hij naar bed ging. In de hoop hem slapend aan te treffen, als ik naar boven ging. Kroop dan heel voorzichtig onder het dekbed en lag de hele nacht op de bedrand.

Ook hij ging steeds later slapen. Lag steeds langer te wachten tot ik eindelijk boven kwam. 

Ik kreeg wallen onder mijn ogen. Kwam er ’s ochtends steeds lastiger uit. Het was een uitputtingsslag. Dus besloot ik op een dag te verhuizen. Intern. Naar de zolder. Dat moest mijn kamer dan maar zijn.

De eerste nachten draaide ik de deur nog op slot. Maar het scheen toch te werken. Hij kwam niet de zoldertrap op.

Tot op die nacht dat ik hem wel naar boven hoorde komen. Krakende traptreden. Steeds dichterbij. De deurklink die langzaam naar beneden bewoog. Zijn gestalte voor me. In mijn ooghoek zag ik dat hij alleen een boxer droeg.

‘Hoi’, zei hij kalmpjes: ‘Mag ik even bij je liggen?’ Ik kromp ineen toen hij direct naast me kwam liggen. ‘Ik wil niet..’ piepte ik. Steeds kleiner voelde ik me worden. Moest dit dan zo?

Tijd om te vertrekken! Ik kon het niet langer. Ik stelde een ultimatum. Als het dan niet anders was, zou ik gaan. 

Ik spaarde geld en ging op zoek naar een woning. Tijdens een fietstochtje met de meiden deed ik een bezichtiging. Tegenover de meisjes, die toen nog klein waren, deed ik alsof het heel normaal was dat volwassenen dat soms deden. Alsof het heel gewoon was om af en toe eens in een flat te gaan kijken. Want het mocht niet teveel indruk maken. Het moest geheim blijven.

De tijd verstreek. Ik kocht meubels bij de Kringloopwinkel. Liet ze bezorgen op ons toekomstige adres. 

Op die eerste maandag van de vakantie hoefden we alleen onze kleding te pakken. Ik voelde me haast bezwaard dat ik er ook wat handdoeken, theedoeken en beddengoed bij deed. Mijn dag-en fotoboeken had ik al in een doos gedaan. Die hoefde ik alleen maar tevoorschijn te halen.

Die ochtend legde ik heel vroeg de afscheidsbrief op tafel. Die zou hij vinden als hij terugkwam uit zijn werk. Daarna heb ik de boel in de auto geladen en zijn we vertrokken. Op naar een nieuw begin.

Een nieuwe start.




13. Afscheid

‘Joh, wie wil jou nog hebben?’ schamperde hij, terwijl hij wijdbeens voor me kwam staan. Dreigend wees hij met zijn vinger: ‘Als jij ooit bij me weg zult gaan, zal je helemaal alleen komen te staan.’ Ik haalde mijn schouders op, alsof zijn woorden me niets deden. Maar van binnen stormde het. Waar was de liefde gebleven? 

Hij dacht dat ik volledig afhankelijk van hem was, de vader van mijn oudste twee. Financieel en emotioneel. Dat hij de enige was die met me kon leven. Op zijn manier ook van me hield. Maar ik wist wel beter.

Al geruime tijd had ik regelmatig contact met mijn grote Liefde van vroeger. Tot nu toe had ik dat angstvallig voor me gehouden. Want wat zou er gebeuren als hij dat zou komen te weten? Alleen de gedachte al maakte me bang en klein.

Hij had geen idee dat er ergens op de wereld toch iemand bestond die wèl om me gaf. Die wel naar me luisterde en de tijd voor me nam. Iemand die mijn hart nog sneller deed kloppen. 

‘Ja, wat sta je daar te staan?!’ daagde hij me uit: ‘Daar heb je niets meer op te zeggen, hè?!’ Er gleed een brede grijns op zijn gezicht. Alsof hij een wedstrijd had gewonnen.

‘Je zit er behoorlijk naast..’ fluisterde ik timide. Hij deed een stap naar voren. Zijn ogen stonden groot en dreigend voor de mijne. Maar ik zou me niet door hem laten intimideren. Niet weer! Ik was het zat om door hem gekleineerd te worden. Ik rechtte mijn rug en keek hem fel aan: ‘Ik weet wel zéker dat er nog iemand om me geeft!’ verdedigde ik mezelf. Hij deinsde ietwat achterover en vroeg om uitleg. 

En dat gaf ik hem. Ik vertelde dat ik een tijdje terug mijn vroegere liefde had gebeld. Gewoon, omdat ik nog zoveel vragen had. Dat we nu zo af en toe met elkaar belden. Dat hij me het gevoel gaf dat hij om me gaf. Dat we elkaar ook al een keer gezien hadden, verzweeg ik liever nog even. 

Meteen draaide hij zich om en beende naar de telefoon. ‘Dit zal ik je ouders vertellen!’ schreeuwde hij. Hij greep de hoorn van de haak. ‘Dat zullen ze leuk vinden!’ spotte hij. 

Ik rende op hem af en probeerde de telefoon uit zijn handen te trekken. Er ontstond een lichte worsteling, die ik uiteindelijk moest verliezen. Dan maar een andere tactiek. De stekker eruit! De verbinding verbreken. En dat lukte.

Hij droop af met de mededeling dat zijn tijd nog wel zou komen. Hij zou het tegen iedereen vertellen die het maar horen wilde. Ik zou er helemaal alleen voor komen te staan. Niemand die nog wat met mij te maken wilde hebben!

De dagen daarna lukte het hem inderdaad om mijn ouders te informeren. Hun reactie vertelde hij me niet, maar ik kon me voorstellen dat ze woedend waren. Ook gezamenlijke vrienden moesten het weten. Iedereen! Zelfs de vrouw van mijn verboden liefde. De wereld stond op zijn kop.

Dit was het niet waard! Er moest een eind komen aan het geheime contact. Deze liefde had toch geen toekomst. Het maakte het leven alleen maar nòg ingewikkelder.  

In mijn hart nam ik afscheid. Afscheid van die heerlijke belmomenten. Afscheid van die mooie stem aan de andere kant van de lijn. Afscheid van mijn grote liefde. 

Afscheid van de hoop op een betere toekomst..