Gevangen

Een pedofiel is iemand die je alleen in het nieuws tegen komt. Zo’n zielig mannetje, die nergens meer kan wonen. Want niemand wil hem in de buurt.

Een pedofiel herken je meteen. Het is een eigenheimer. Op zichzelf. Zo’n vaag figuur, die haast nooit buiten komt. Een einzelgänger, die je niet snel tegen zult komen.

Dacht ik..

Maar nu weet ik wel beter. Nu weet ik dat een pedofiel veel dichterbij kan zijn, dan je denkt. Dan je hoopt. Dan je wilt. En dat hij niet is te herkennen aan zijn uiterlijk, zijn gedrag of aan zijn leven.

Het kan dus, gewoon, die ene nette vriend zijn. Getrouwd en zelfs vader van kinderen. En hij kan zich dus, zomaar, vergrijpen aan je dochter. Ongestoord. Zonder dat je het door hebt. Omdat jij hem vertrouwt. En hij bewust kiest voor je kleine meisje, die nog niets vertellen kan. Die niet tegenstribbelt, omdat ze niet begrijpt wat er gebeurd.

Niet alleen zij is slachtoffer van deze misselijke daad. Maar ook ik voel me dat. Omdat hij, in míjn huis, aan míjn kind heeft gezeten.

Terwijl hij nu netjes vast zit in een cel, moeten wij leren leven met de wetenschap van wat hij heeft gedaan. En er verder over zwijgen, omdat zelfs zo’n schoft nog recht heeft op wat privacy. Nog recht heeft op een goed leven.

Als je een zwaar ongeluk hebt gehad, dan kun je daar over praten. Als je ernstig ziek bent, vertel je dat gewoon. Als je littekens hebt, kunnen mensen dat zien. Maar slachtoffers van zedendelicten zitten gevangen. Want zeden-misdaden, daar praat je niet over. Dat is te intiem.

En als de dader straks weer vrij rond loopt, zitten de slachtoffers nog altijd gevangen. Vast in hun emoties. Pijn, onmacht en frustratie. Want, terwijl de dader al heel vaak is verhoord en wederhoord, is het slachtoffer vaak nog nooit echt gehoord.

Advertenties

Slachtofferhulp (2)

‘Wilt u koffie?’ vroeg ik, zodra de man en de vrouw plaats hadden genomen op de bank. ‘Nee, hoor,’ zei de man. Hij keek ernstig. ‘Gaat u eerst zelf ook maar even zitten,’ stelde hij voor.

Ik had graag nog even aan het idee willen wennen, dat de zedenpolitie op míjn bank zat. Even acclimatiseren, onder het zetten van een pot koffie. Maar, gedwee, nam ik plaats op de stoel tegenover hen.

De vrouw glimlachte geruststellend, terwijl de man het woord nam. ‘We hebben u gisteren dus gebeld. Heeft u enig idee waarvoor we komen?’ Stilletjes vroeg ik me af of hiermee de eerste stap van dit onderzoek was gezet.

‘Geen idee!’ gaf ik toe. Natuurlijk had ik, sinds het desbetreffende telefoontje, alleen maar lopen gissen. Het kon de vader van de oudste meisjes zijn. Of, misschien wel, die van de jongste twee. Of moest ik het verder zoeken? Ergens in de vriendenkring?

‘Het gaat namelijk over de heer.. ‘ en toen klonk de naam van een vroegere vriend. Iemand, die ik al jaren niet meer had gezien. Totaal uit het oog verloren.

Ik kende hem vanuit mijn vorig huwelijk. Toen ik nog getrouwd was, met de vader van de oudste meisjes. De mannen waren vrienden. En ik kon aardig overweg met zijn vrouw. Het stel kreeg ook twee dochters. Van dezelfde leeftijd als de onze. We werden steeds hechter. Zo close zelfs, dat ze eens zes weken in ons huis hebben gewoond.

Niet zomaar. Het was een win-win situatie. Zij stonden op het punt van verhuizen. Van de grote stad naar ons dorp. En ik zat verstrikt in een ernstige depressie. Veroorzaakt door mijn huwelijk, met een narcistische man. Mijn therapeut had me geadviseerd een aantal weken op adem te komen. Ergens in een rustoord. Maar dat zag ik niet zitten. Alléén, als ik zeker zou weten dat er goed werd gezorgd voor mijn twee meisjes, van toen twee en vier. Het stel wilde die taak wel op zich nemen. Dan konden ze tegelijk vast wennen aan ons dorp. En de avonden klussen in hun nieuwe huis.

Vóór mijn vertrek toverde ik de zolder om tot een heuse woonetage. Daar konden ze zolang hun intrek nemen. Ik regelde verder iemand voor de was, de strijk en het uitlaten van de hond. De vaders konden, zodoende, gewoon doorgaan met hun werk. En ik kon, met een gerust hart, de boel achterlaten. De meisjes zouden me nauwelijks missen.

Over deze man ging het dus. De man, van dit stel. Dat tijdelijk bij ons in huis heeft gewoond. Voor onze kinderen heeft gezorgd. ‘Ja, die ken ik wel,’ gaf ik toe: ‘Maar, sinds mijn scheiding, is dat contact compleet verwaterd.’ ‘Hij zit in detentie..’ gooide de man eruit. In detentie? Waar was het mis gegaan met hem? ‘In verband met incest,’ voegde de man er iets voorzichtiger aan toe. ‘Oh?!’ Wat gruwelijk! Hoe kon het gebeuren? Waarom had ik nooit iets gemerkt? Arme meisjes!

‘Maar nu..’ de man keek me aan, alsof hij mijn volledige aandacht nodig had. Ik rechtte mijn rug en luisterde aandachtig. ‘Nu heeft hij, tijdens het verhoor, nóg een bekentenis afgelegd. Iets, waarmee we behoorlijk in onze maag zitten. We hebben de officier van justitie gevraagd wat we ermee aan moesten. En hij heeft ons opgedragen ermee naar jullie toe te gaan.’

‘Oke,’ knikte ik. Maar ik had geen idee waar hij naartoe wilde met zijn verhaal. ‘Kunt u me volgen?’ hoorde ik de man vragen. De vrouw zat nog altijd zwijgzaam naast hem. Haar ogen, continu, op mij gericht. ‘Ja, ik denk het wel..’ deed ik twijfelachtig. Dus hervatte hij zijn relaas: ‘Meneer wilde, na al die jaren, eindelijk alles eruit gooien. Volledig schoon schip maken. Dus heeft hij alles opgebiecht. Werkelijk alles. En dus..’ Ik schoof naar het puntje van mijn stoel. Me bewust dat nu het moment was aangebroken.

‘Zo heeft hij, tijdens het verhoor, verteld dat hij niet alleen zijn eigen dochters heeft misbruikt. Maar.. ook een dochter van u.’ Met grote ogen keek ik van de man naar de vrouw. ‘Wie van de twee?’ wilde ik weten. ‘Het is gebeurd toen hij, met zijn gezin, een tijdje bij jullie heeft gewoond,’ legde hij verder uit: ‘Het gaat om de jongste van destijds.‘ ‘Walgelijk! Wat ziek!’ riep ik.

Ongeloof, afschuw en boosheid volgden elkaar in rap tempo op. Hoe kon een vent zich vergrijpen aan een onschuldig kind van twee?! Wrok en duizenden vragen. Waarom? Hoe had het kunnen gebeuren?! Waarom ben ik er zelf niet achter gekomen?

‘Had u dit verwacht?’ vroeg de man na een tijdje. ‘Nee,’ zuchtte ik. Maar opeens vielen er heel veel puzzelstukjes op z’n plaats.

Ik begreep nu waarom het zolang duurde, voor mijn dochter zindelijk werd. Ik begreep eindelijk, waarvoor ze al die nare onderzoeken moest ondergaan. Waarom ik, jaren achterelkaar, ziekenhuis in en ziekenhuis uit heb gelopen met haar. Hoe het kwam dat de sessies bij de fysiotherapeut op niets uitliepen. Waarom ik dóór werd gestuurd naar een orthopedagoog. En deze algauw speltherapie voorstelde. Hoe het kwam dat, daarna, seksueel misbruik niet bevestigd kon worden nòch uitgesloten.

Eindelijk kreeg ik antwoord op al deze vragen. Maar het antwoord was een verschrikking. Een nachtmerrie, die ik nooit had gewild.

Slachtofferhulp (1)

Het was een hele gewone dag. Een maandag. Ik haalde de kids van school. En daarna stelde ik voor om samen even naar de Action te gaan. Heel gewoon. Zoals we dat wel vaker deden.

We liepen daar, in de drukte. Zoals dat gewoon is in de Action. Eigenlijk hadden we niets nodig, maar wilden vanalles. En net toen ik me bedacht waar ik nu eigenlijk aan begonnen was, klonk vanuit mijn tas dat bekende deuntje. Mijn telefoon. Ik ritste snel mijn tas open, greep naar m’n mobiel. Maar was al te laat. ‘3 gemiste oproepen’ stond er in het scherm. Iets belangrijks dus?!

Snel checkte ik het nummer. Het bleek niet van één van mijn contacten. Dus besloot ik me weer te focussen op mijn shoppende meisjes. Maar toen kreeg ik bericht dat mijn voicemail was ingesproken.

De hardnekkige beller maakte me nieuwsgierig. Dus besloot ik, daar, strak tegen één van de schappen en tussen het winkelend publiek, het bericht toch even te beluisteren. Ik prikte mijn vingertop in mijn vrije oor en sloot mijn ogen.

‘Goedemiddag mevrouw…’ Ik hoorde mijn naam noemen, door een onbekende stem. ‘U moet niet schrikken, maar de politie zoekt contact met u. Kunt u, zodra u daar toe in de gelegenheid bent, ons bellen op het volgende nummer…’

Oke. Ik moest niet schrikken werd er gezegd. Maar inmiddels zat ik bijna ìn de schappen. Natúúrlijk schrok ik me rot! Ik had me nog nooit zó oncomfortabel gevoeld in deze winkel.

Ik wilde naar buiten. Zo snel mogelijk terug bellen. Maar inmiddels liepen mijn dochters overal verspreid. Ik keek snel om me heen. Taxeerde de drukte en de plek waar ik stond. En besloot toen dat ik best nòg een telefoongesprek kon voeren hier. Dus toetste ik het opgegeven nummer in.

‘Hallo. U heeft zojuist mijn voicemail ingesproken,’ zei ik, zodra er werd opgenomen. ‘Mooi dat u zo snel kon terugbellen, mevrouw,’ zei de man. Ik slikte en hield mijn adem in. ‘Er is niets ernstigs gebeurd, hoor, maar we zijn van de zedenpolitie. En willen u graag even spreken in verband met een lopend onderzoek. Kan dat?’ ‘Ja, hoor,’ deed ik gelaten, terwijl mijn hart mijn binnenste uit leek te stuiteren: ‘zeg het maar..’ Ik zette me schrap.

‘Nee, we willen eigenlijk daarvoor bij u langs komen. Is dat mogelijk? Schikt het morgenochtend bijvoorbeeld?’ Ik probeerde snel te bedenken of ik dan al iets in de planning had. Maar meteen bedacht ik me dat er niets belangrijker kon zijn dan dit. ‘Prima!’ antwoordde ik. ‘Goed, dan zien we elkaar morgen. Elf uur. We komen in burger en we zijn met z’n tweeën.’ ‘Is goed, hoor!’ probeerde ik luchtig te laten klinken. En na een formeel afscheid, stopte ik gespannen mijn telefoon weer weg.

Even keek om me heen. Het was alsof ik zojuist, vanaf een andere planeet, midden in de winkel was beland. Verward. Verstrooid. Gedesoriënteerd.

Maar toen kwam mijn dochter naast me staan: ‘Mam, wie was dat?’ Ik haalde mijn schouders op en zei: ‘Geen idee!’ Vlug draaide ik me om en vroeg waar de anderen waren. Ik wilde mijn meisjes niet belasten met mijn angsten en vragen.

Algauw waren we weer compleet. Ik had geen zin meer om de rest van de winkel door te struinen. Ik wilde naar huis. Alleen zijn. En even laten bezinken en overdenken. Wat stond me te wachten? Wat hing er boven ons hoofd?

Morgen zouden we het weten. Morgen al. Nog maar één nachtje slapen, zou ik tegen de kinderen zeggen. Maar nog nooit heeft ‘één nachtje’ zo lang geduurd!

Heimwee

Het is weekend. Iedereen thuis. Ik zit op de bank. Mijn ogen gericht op het handwerk op mijn schoot. Maar in mijn gedachte ben ik er niet bij. Herzie ik steeds de beelden. Weergaven, uit vervlogen tijden. Van twee jonge, blijmoedige mensen. Foto’s van vroeger, van ons, die jij zomaar naar me appte. Sindsdien niet meer uit mijn hoofd te bannen.

Voorzichtig pak ik weer mijn telefoon. Stiekem. Niemand mag het zien. Want hoe zou ik ooit uit kunnen leggen hoe ik ineens aan al deze plaatjes kom?! Foto’s, waarvan zelfs ìk het bestaan niet wist.

Ik open het venster. Dan zie ik mezelf, van zo’n vijfentwintig jaar terug. Een rimpelloze huid, slank postuur, wilde haren. Stralend en gelukkig. Alsof onze liefde eindeloos was.

Ik zie ons samen. Mijn gestalte, staande, in jouw sterke armen. En tegenover je, zittend, in een restaurant. Diep starend in elkaars ogen. Alsof we alles uit het moment wilden halen.

Ik zie hoe mijn jonge versie op een heuvel ligt. Languit, in het gras. In de verte, in het dal, ligt de stad. En op de voorgrond is nog net een schoen te zien. Het verraadt jouw aanwezigheid. Maar de blik in mijn ogen zegt ook al genoeg. De verliefdheid is er duidelijk vanaf te lezen.

Ik zie mijn jeugdige gedaante zitten, op het voeteneind van een hotelbed. Mijn armen losjes over mijn schoot. Een uitdagende lach om mijn mond. Ik stel me voor hoe jij daar moet hebben gehurkt. Vlak voor me. Zorgvuldig zoekend, om de foto vanuit de juiste hoek te nemen.

Heimwee. Ik word overmand door heimwee. Konden we maar teruggaan in de tijd! Nog éénmaal intens genieten van elkaar.

Ineens hoor ik op de achtergrond hoe dochterlief fragmenten van Mama Mia beluisterd. De film, waar ik zoveel in herken. ‘I don’t wanna talk..’ klinkt het door de kamer. In stilte zing ik mee. Even overweeg ik zelfs om dit lied naar jou te sturen. Als antwoord op jouw foto’s.

Want, zo was het! Zo voelde het! Toen ik ontdekte dat je de moed had opgegeven. Toen ik hoorde dat je het wachten moe was. Toen ik begreep dat je in een andere relatie was gestapt.

Spijt. Ik voel enorm veel spijt. Dat ik je geduld zo op de proef heb gesteld. Je alleen heb gelaten. Verloren en vertwijfeld. Dat ik je zomaar heb laten gaan.

Had ik toen maar gezien wat ik nu zie. Ware liefde. Die speciale chemie tussen twee mensen. Twee schepselen, die voor elkaar gemaakt zijn.

Wat zou ik graag nog nieuwe herinneringen met je maken. Even weer compleet met je zijn. Om nooit meer te vergeten hoe het was. Om je nooit meer los laten. En de rest van ons leven de liefde te vieren.

Loyaliteit

Eigenlijk is loyaliteit iets heel moois. Iets heel bijzonders. Zomaar geschonken. Er ingeschapen. Iets, waar een kind niets aan hoeft te doen. Het is er gewoon: loyaliteit, tegenover de ouders.

Het doet me denken aan een trouwe hond. Je kunt hem verwaarlozen. Hardhandig aanpakken. Slaan of schoppen. Maar, zodra je hem weer vriendelijk aankijkt, komt hij weer blij, kwispelend op je af.

Zo mooi, maar ook zo triest!

Een vader kan het zich zo dus permitteren om zijn kinderen jarenlang niet te zien. Ze financieel te verwaarlozen. Ze zelfs zwart te maken tegenover anderen. Maar zodra hij weer eens lief naar ze lacht, komen zijn kinderen weer blij naar hem toe.

Alles lijkt ineens vergeten. Hoe hij de kids harteloos blokkeerde op Whatsapp. Hoe hij op zijn bruiloft zijn vrienden verkoos, bóven zijn eigen dochters. Hoe hij zijn eigen comfort belangrijker vond dan dat van zijn meisjes. Alles vergeten en vergeven.

Loyaliteit. Prachtig! Maar ook iets engs. Zoiets als liefde, die blind maakt. De fouten worden niet gezien. Of wíllen ze niet zien. Vooral genieten van het mooie wat er is. En niet verder kijken.

Het doet me pijn en verward me. Want, als hij ècht zo’n goede vader was, was ik toch nooit bij hem vertrokken?! Als hij echt zo’n zorgzame papa was, hadden we het toch nooit zo zwaar hoeven hebben?! Of zou hij nu werkelijk veranderd zijn? Had ik het dan toch nóg langer vol moeten houden en moeten wachten op deze omslag in zijn leven?

Ik weet het niet. De tijd zal het leren. Elke keer weer. Net als al die voorgaande keren, dat ze weer even contact hadden. Tot hij het weer verbrak. We wachten af..

Forever 

Je zit tegenover me en ik probeer me te concentreren op wat je zegt. Ondertussen staar ik naar je twinkelende ogen, je mond. Naar je krullen, die inmiddels grijze haren vertonen. Wat hou ik van dit gezicht. Van jou helemaal. Het voelt zo vertrouwd.

‘..Natuurlijk wil ik je niet pushen om bij hem weg te gaan..,’ hoor ik je zeggen. En ik denk dat de tijd je heeft geleerd dat ik me niet láát pushen. ‘Of zou je eerst een ander nodig hebben, om zover te komen?’ vraag je me dan. Ik schrik op en schud mijn hoofd. ‘Nee,’ zeg ik steevast: ‘ik hoef geen ander. Ik zou veel liever een tijd, of altijd, alleen blijven daarna.’

Is het waar, wat ik zeg? Ik zoek naar mijn gevoelens en gedachten. En weet dan dat ik niet lieg. Ik dúrf mijn leven niet meer toe te vertrouwen aan een ander. Niet voordat ik die ander door en door ken.

‘Oke!’ mompel je. Je ogen vinden de mijne. Je leunt met je kin op je duim. Ik zou je zo kunnen uittekenen. Die houding. Die blik in je ogen. Wat hou ik van je. Zo zielsveel!

Vroeger was het nog gewoon, om bij elkaar te zijn. Nu moet het stiekem. Jij bent getrouwd en ik zit nog altijd verstrikt in een ingewikkelde relatie. Kon het nog maar zoals vroeger zijn. Maar onze levens lijken niet meer met elkaar te combineren. Jij koos bewust voor één kind. Ik wilde er persé meer. Jij hebt geleerd om voor jezelf te leven. Mijn bestaan lijkt vooral op mijn naasten gericht. In mijn ogen leidt jij een luxe bestaan, terwijl ik me voornamelijk behelpen moet.

‘Ik weet zeker dat we het nu goed hadden gehad, als we vroeger niet uit elkaar waren gerukt,’ zeg je. Ik voel me geneigd me te excuseren voor het feit dat ik dat heb laten gebeuren. ‘Ik was te jong. Te onzeker. Had nog geen eigen mening,’ som ik op. Ik zou niet weten hoe het zou zijn geweest, als dat niet zo was. Als ik niet naar mijn ouders had geluisterd. Maar mijn hart had gevolgd..

‘Eigenlijk is het een intriest verhaal. Ons verhaal. Twee geliefden, die hun leven afzonderlijk van elkaar moeten leven.’ Je glimlacht triest. Ik zie je slikken. Worden je ogen nu zelfs vochtig? Worden de emoties je teveel?

‘Ik zal altijd van je blijven houden. Je bent en blijft mijn grote liefde. Hoe dan ook..’ probeer ik je gerust te stellen. ‘En ook al leven we onze levens ver bij elkaar vandaan, je zult altijd in mijn hart zijn. Ik zal je daar altijd bij me dragen.’

34. In vertrouwen

‘Het is teveel. Te gecompliceerd. Te zwaar om alleen te dragen,’ waren de woorden van de man op het scherm. We staarden alledrie naar het beeld. Onze therapeut, de vader van de jongste twee en ik. We knikten en wachtten op zijn oplossing.

Onze therapeut had de raad ingeroepen van haar collega. Ze had mijn vertrouwde therapeut van vroeger gevraagd eens mee te denken. Hij was betrokken geweest bij mijn vorige relatie. Had mij destijds door de scheiding geholpen van de vader van de oudste meisjes, die narcistisch was.

Nu hadden we een Skype-sessie met hem. Hij woonde te ver weg om persoonlijk deel te nemen aan het gesprek. Maar de boodschap was over gekomen en zijn conclusie duidelijk.

Teveel. Te zwaar. Te gecompliceerd. Hoe nu verder? ‘Jullie moeten dit niet langer geheim blijven houden. Ga ermee naar mensen, die je in vertrouwen durft te nemen. Praat erover en hoor hun visie aan. Alleen het delen ervan zal al verlichting kunnen geven.’

We spraken af met wie we zouden praten. Het moest in elk geval iemand van beide families zijn. Mijn moeder? Moesten we haar hier nou wel mee belasten? Zijn moeder? Hetzelfde verhaal. Zijn zussen? Mijn zussen?

‘Spreek van te voren af dat je iets te vertellen hebt, maar geen oplossing van hen verwacht,’ was zijn raad. En daarmee zouden we eindelijk het geheim doorbreken.

Het voelde eigenlijk wel prettig. Eindelijk praten over hetgeen me al die jaren al bezig houdt. Eindelijk kunnen uitleggen dat mijn leven helemaal niet zo rooskleurig is als het er uitzag. Niet langer op mijn tenen hoeven lopen om de schijn op te houden.

We spraken af dat ik eerst mijn moeder zou inlichten. En hij zijn zus, omdat het contact met zijn moeder, zonder aanwijsbare reden, op een erg laag pitje was komen te staan. Met deze twee mensen hadden we dan een start gemaakt en konden we zien wat het uit zou werken.

Met de dag werden mijn verwachtingen sterker. Ik hoopte dat mijn moeder en schoonzus toch hun afschuw over het misbruik uit durfden spreken. Dat ze me zouden steunen en me in de gelegenheid zouden stellen mijn plan te trekken. Bereid zouden zijn me eventueel financieel te ondersteunen.

‘Mam, ik moet wat vertellen.. Ik vind het echt heel rot om te zeggen. Maar ik loop er al jaren mee..’ Die ochtend zat ik bij haar aan de keukentafel. Ik voelde hoe mijn lijf begon te trillen. Ik had mijn emoties niet meer onder bedwang en begon te huilen. Tranen biggelden over mijn wangen en even was ik niet in staat om verder te praten..

‘Weet u..,’ snikte ik even later verder. En toen vertelde ik over de dag dat de school van mijn dochter belde. Over het gesprek dat volgde met mijn dochter. Over het misbruik dat had plaatsgevonden. Over de therapiesessies en het wantrouwen. Ik gooide alles eruit. Mijn moeder zuchtte tussen de regels door en haar gezicht stond ernstig.

‘Wat verschrikkelijk voor jullie!’ zei ze uiteindelijk: ‘en nu?’ ‘Mam, ik weet het werkelijk niet! Ik zou niet weten hoe het verder moet..’ ‘Meisje, je verhaal is hier in elk geval in vertrouwde handen. Ik zal er met niemand over praten. Ik durf zelfs je zussen niet in te lichten hierover,’ zei ze uiteindelijk.

‘Enneh.. praat er verder maar met niemand over. Daar heb je toch niets aan.’

Dat bleek wel weer..

Liefde

Je streelt me. Je vingers glijden langzaam over mijn rug. Je handen voelen heerlijk warm. Je drukt je lippen zacht in mijn nek. Ik hoor je hijgen, maar ik krimp in elkaar.

In mijn hoofd speelt zich een gevecht af. Wat heb ik behoefte aan deze aanrakingen, liefkozingen. Maar niet nu! Niet nu onze relatie op scherp staat. Nu je alle afspraken aan je laars lijkt te lappen. Je schijt lijkt te hebben aan alle adviezen die de therapeuten je ooit hebben gegeven.

Je zou gaan praten. Vertellen wat er is gebeurd. Je zou het opbiechten aan je familie. Zodat zij ook begrijpen waar het mis ging.

Je zou luisteren. Luisteren naar de pijn. Je zou open staan voor boosheid, verdriet, achterdocht en alle andere gevolgen die jouw misdaad heeft veroorzaakt.

Maar je doet er niets mee. Je praat niet, je luistert niet. Leeft gewoon door, alsof er niets is gebeurd.

Je haalt me aan. Je probeert me te zoenen. Maar ik druk mijn lippen stijf op elkaar. Het lukt me niet deze te beantwoorden. Ik lijk te verstenen. Te bevriezen.

Oh, wat wil ik het graag! Verdrinken in de liefde. Me mee laten voeren in het liefdesspel. Alles om me heen vergeten. Intens genieten en liefhebben..

Maar ik voel de liefde niet. Dus kan ik het niet.

Vergeten

Het is één uur ’s nachts. Ik kan niet slapen. Zachtjes ben ik het bed uit gekropen. Jouw wekker staat op vier uur. Misschien vijf uur. Ik weet het niet. Maar ik weet wel dat je ligt te snurken en ik je niet wakker durf te maken.

Je ligt te snurken! Terwijl het in ons leven stormt. Terwijl alles op de klippen dreigt te lopen. Ons huwelijk op springen staat. Een financiële afgrond ons aanstaart. En jij slaapt.

Ik zou zo graag met je willen praten. Zoeken naar oplossingen, die er misschien helemaal niet zijn. Ik zou mijn zorgen willen delen. Je mijn pijn en angst willen laten zien. Maar je weigert te kijken. Zegt dat het nu niet kan. Dat je je moet concentreren op andere zaken. En je slaapt. Je slaapt overal doorheen.

Ik zou me willen bezatten. Zoveel wijn willen drinken, tot de slaap me overmant. Tot ik verdrink in vergetelheid. Tot ik niet meer weet wat voor een drama zich over ons leven voltrekt.

Ik wil vergeten. Niet meer voelen. Maar het lukt me niet.

Stilte 

Stilte. Ik verlang naar volkomen stilte. En in die stilte, wil ik voelen. Echt voelen. Intens het gevoel binnen laten van pijn, gebrokenheid. Maar ook van liefde.

Het lijkt alsof er geen plaats meer is voor gevoelens. Het leven lijkt meer op een computerspel. Met steeds weer nieuwe hindernissen. Steeds weer een hoger level. Ik spring en buk en kruip er doorheen. Steeds meer punten, met verlies van steeds meer levens. Waar houdt het op? Bij welk level zal het ‘game-over’ zijn?

Ik wil leven. Echt leven. Intens leven. Voelen waar ik mee bezig ben. Niet gedachteloos doorgaan. Me laten overspoelen, met als enig doel het hoofd boven water houden. Ik wil niet stikken. Maar de golven trotseren. Berekenen. Zien rollen. Op me af zien komen. En springen op het juiste moment.

Ik wil op adem komen. Rustig bijkomen, voordat de volgende slag geslagen moet worden. Op kracht komen om het alles weer te kunnen doorstaan. Om te leren. Te triomferen. Mijn neus in de lucht. Een glimlach op mijn gezicht. Het gevoel van moed en dapperheid. Het gevoel van leven!

Ik wil geen robot meer zijn..